Keurige villa te koop (dichtgespijkerd)

Cuba proeft onder Raúl Castro voorzichtig aan liberalisering. Sinds kort mogen er huizen worden verhandeld. Maar wie heeft geld om te kopen? Een serie over Cubanen die alleen de heilstaat kennen. „Ik handel met de eerste die met een goed bod komt.”

In de schaduw van de platanen aan de Paseo de Martí ontmoeten inwoners van Havana elkaar om iets te doen wat een half jaar geleden nog verboden was. Ze handelen in huizen. Op stenen banken zitten Cubanen met kartonnen plakkaten en foto’s. Kopers en nieuwsgierigen bekijken het aanbod.

De 24-jarige Eiden Corria loopt rond en noteert wie verkoopt en wie zoekt. Het zwarte opschrijfboekje van de makelaar toont de sputterende start van de huizenhandel in Cuba: onder ‘te koop’ staan vijftien namen en omschrijvingen van huizen. Onder ‘zoekt’ staan drie namen.

Het probleem is geld, zegt Corria, die net is begonnen als bemiddelaar. Zelfs de goedkoopste categorie van ongeveer 10.000 wisselbare peso (minder dan 8.000 euro) is te duur voor de meeste Cubanen. Het gemiddelde maandsalaris is zo’n 20 peso. Corria: „Om een huis te kopen moet je sparen van de dag van je geboorte tot de dag van je dood.”

Het vrijgeven van de huizenhandel in Cuba wordtdoor analisten in Amerika gezien als een eerste stap naar het kapitalisme. Maar de slappe handel in dit park onderschrijft dat niet. Strenge regels bewaren het socialistische karakter van het systeem. Cubanen mogen één woning bezitten, plus een vakantiehuisje. Hier geen vastgoedbaronnen.

‘Revolutie is bouwen’, staat in grote letters op de gevel van het Ministerie van Woningen. De huizenhandel is bedoeld om het leven van de Cubanen gemakkelijker maken, niet om het systeem te hervormen, zegt Santiago Herrera, jurist op het ministerie. „In Cuba zijn huizen om in te wonen, niet om geld aan te verdienen. Dat blijft zo.”

Voor de invoering van de nieuwe woningwet konden Cubanen alleen verhuizen door hun huis te ruilen. Het leidde tot ingewikkelde wisselingen waarbij vaak meerdere families betrokken waren. In de Cubaanse film Se permuta (Te ruil, 1985) ontstaat chaos als een moeder probeert te verhuizen en zo haar dochter weg te houden van een vriendje.

Onder de platanen van de Paseo de Martí wordt ook nog altijd geruild. Briefjes met verzoeken zijn aan de stammen gespijkerd: ‘Aangeboden: een 1-kamer-appartement in Havana. Gezocht: een huis in Matanzas’. Aan een tak hangen foto’s van een roze huis met blauwe kozijnen.

Maar ruilen gaat al even moeizaam. Na de geboorte van nog een kind zoekt Ramon Martinez een huis met vier kamers in plaats van drie. Hij heeft geen geld om bij te leggen. „Ik ben al vier maanden op zoek.”

Cuba heeft een enorm tekort aan huizen. Sinds de revolutie in 1959 is er weinig gebouwd, terwijl de bevolking is gegroeid van 7 miljoen naar bijna 12 miljoen mensen. De staat wil jaarlijks zo’n 63.000 appartementen bouwen, maar bleef vorig jaar steken op de helft. Bijna 50 procent van de woningen is in slechte staat, erkent de overheid.

Het tekort moet worden verholpen door mensen aan te moedigen zelf een huis te bouwen, zegt Herrera. Er zijn leningen voor bouwmaterialen en subsidies voor de armen. De staat verpacht grond voor bijna niks. „Wij zijn vrij van de zorgen die mensen elders in de wereld hebben”, zegt Herrera. „De studie van de kinderen, een baan, een huis. De staat zorgt voor alles.”

De straten van Havana vertellen een ander verhaal. In een wisselend ritme volgt om iedere paar huizen en ruïne. Ooit prachtige villa’s zijn dichtgespijkerd. De Paseo de Martí – beter bekend als ‘Prado’ – zou in de meeste steden ter wereld een dure straat zijn. Maar langs deze brede boulevard in het centrum van de stad, uitlopend naar de zee, gapen grote gaten. Op een leeg perceel staan auto’s, even vervallen als de omliggende huizen.

De woningnood is een test voor het improvisatietalent van de Cubanen. Kleine appartementen worden gedeeld door drie generaties. Gescheiden echtparen timmeren houten schotten in de slaapkamer omdat geen van beide een ander huis kan vinden. Een oude dame in de rustige woonwijk Vedado vertelt over haar ex-schoondochter, die nog altijd bij haar inwoont. De wet verbiedt het om de vrouw weg te sturen. „Ik kan haar niet uitstaan”, sist ze.

Terug in het park hoopt José David Rodríguez zijn dromen te vervullen door de opening van de Cubaanse woningmarkt. In december, vlak na het ingaan van de nieuwe wet, ruilden hij en zijn vrouw hun kleine appartement in Vedado voor een grote, vervallen verdieping aan de Prado. Ze knapten het op en willen het nu voor 60.000 pesos verkopen, een klein kapitaal in Cuba. Het geld is voor een eigen restaurant.

Het appartement van Rodríguez is op de zevende verdieping van een pand uit 1924. De lift is kapot. Zijn vrouw heeft met een klein penseeltje de plafondornamenten geschilderd in de vier slaapkamers en twee badkamers van het huis. Het ene balkon heeft uitzicht op zee, het andere kijkt uit over het park met de huizenhandelaren van Havana.

Rodríguez en zijn vrouw delen iedere dag pamfletjes uit in het park, maar een definitief bod hebben ze nog niet ontvangen. „Er is een Zwitser geïnteresseerd en een Canadees”, zegt de vader van drie kinderen. „Het komt dan op naam te staan van hun Cubaanse vriendin. Buitenlanders mogen geen huizen kopen.”

Hij denkt dat zijn appartement aan een van de bekendste boulevards van Havana over een paar jaar veel meer waard is, maar Rodríguez heeft het geld nu nodig. „Ik handel met de eerste die een goed bod doet.”

De 31-jarige alleenstaande moeder Liuba La O Vega rust uit op de stenen banken tussen de huizenhandelaren. Ook zij heeft haast, maar dan om een huis te vinden. De tante die bij haar en haar dochtertje inwoont wordt oud, dus ze wil graag een appartement op de begane grond. Ze kiest voor kopen, niet ruilen. „Veel minder papierwerk”.

Terwijl ze door het notitieboekje bladert van een van de makelaars wordt ze aangesproken door een man die een huis te hoop heeft. Hij laat foto’s zien van een vrijstaand huis met vier slaapkamers en een tuin. „Veel te duur”, zegt La O Vega, nog voordat hij een prijs heeft genoemd.

„50.000 pesos”

„Dat kan ik niet betalen.”

Ze heeft de afgelopen weken een paar huizen bekeken, maar ondanks het ruime aanbod heeft La O Vega nog niets gevonden. De schoonmaakster zoekt een klein, goedkoop flatje, zodat ze na de verkoop van haar eigen huis iets overhoudt om van te leven. „Ik wil verkopen voor 10.000 pesos en kopen voor 9.500. Het verschil is voor eten en om eens naar een feestje te gaan.”

    • Ykje Vriesinga