'Ik ben niet bewust op zoek naar een grap - ik verbaas me' Scheppen Tekst Saskia van Loenen Foto Mark Kohn

Hoe ziet de werkplek eruit van mensen die scheppen? Wat hebben ze nodig om tot hun creaties te komen? Aflevering elf: cabaretier, radiomaker en columnist Dolf Jansen (1963).

Nederland, Amsterdam, Dolf Jansen, Foto: Mark Kohn

‘Ik heb thuis geen werkplek. Ik schrijf mijn teksten meestal in de trein. Ik reis veel en zit per week toch al gauw een uur of zeven in de trein. Ideaal om dan te schrijven. Columns, gedichten, teksten. Mijn week zit vol. Maar er zijn gelukkig ook dagen dat ik vanaf het moment dat ik opsta, meestal rond negen uur, tot een uur of één, twee eigenlijk niks hoef. Dan lees ik langdurig de kranten; ik heb er thuis drie. En een paar tijdschriften. Vrij Nederland, De Groene, en ook Elsevier – altijd handig je vijand te leren kennen. En als ik op tournee ben, liggen in de kleedkamer de plaatselijke kranten klaar; ik kan daar altijd wel iets uithalen. Gisteren nog, in Waalwijk. Een artikel in de lokale krant over vier jongens die in de Efteling een bootje, zo’n Gondoletta, hadden omgegooid. Een van die jongens was in het water gevallen en lichtgewond geraakt. Het artikel sloot af met: de andere drie zijn gearresteerd. Dat roept bij mij meteen een beeld op dat die nummer vier daar nog steeds in dat water ligt dood te bloeden en een kwartier later maak ik daar op het podium dan een grap over. Al dat lezen heeft dus een functie. Het brengt me letterlijk op ideeën. Maar niet bewust. Ik bedoel: ik ga niet bewust op zoek naar een grap of zo. Ik lees om me te verbazen. Als dat een grap oplevert is dat heerlijk, maar het hoeft niet. Als ik iets tegenkom wat me opvalt, schrijf ik het even op, of ik scheur het uit.

Inspiratie haal ik ook uit muziek. Voor elke tournee kies ik een aantal nummers uit die gedraaid worden als de zaal opengaat. En één bepaald nummer als ik opkom. Nu is dat Bruce Springsteen: We take care of our own. Sluit mooi aan bij mijn voorstelling. Kritisch op zelfverrijking, onrecht. Ooit zei hij: ga lezen, probeer zelf uit te vinden hoe het zit, zorg dat je de feiten kent – dat zit ook heel sterk in mij. Feiten kennen, daar hamer ik op. Weten wat erachter zit. Erover nadenken. Dan pas kun je handelen, keuzes maken. Ik maak tijdens mijn voorstelling reclame voor Join the pipe: koop één keer een mooie waterfles in plaats van al die wegwerpflesjes. Van de opbrengst worden in Afrika waterputten aangelegd. Met zo weinig moeite kun je soms zo veel bereiken. Maar je moet het wel weten. Feiten.

Een vast ritueel is hardlopen. Ik loop iedere dag. In de middag kom ik aan bij het theater, ik trek mijn hardloopkleren aan en loop naar buiten. Ik maak mijn hoofd leeg, ben nergens naar op zoek, maar kijk wel om me heen. Vaak zie ik onderweg dingen waar ik straks op het podium iets over zeg. Dan douchen, ergens een hapje eten met mijn techniekers, en naar de kleedkamer. Tot vlak voor de voorstelling check ik op mijn telefoon of er nog nieuws is. Een kwartier voor het begint zonder ik me af. En dan stap ik het podium op. Met de lokale kranten in mijn hand, want daar begin ik mee. Soms lees ik een paar berichten voor die me waren opgevallen. Vaak is dat al grappig. Maar het hangt ook af van waar je speelt en het publiek dat daar zit. Soms zitten ze alleen maar te knikken in plaats van te lachen: voor hen is het volkomen normaal wat ik daar voorlees.

Twee keer per jaar komt er een nieuwe voorstelling. Eerst praat ik met regisseur Jessica Borst. Wat willen we, welke kant gaan we op. Grofweg wordt dan het thema al zichtbaar. Vervolgens ga ik door die verzameling aantekeningen en uitgescheurde stukjes van het afgelopen half jaar. Het grappige is dat heel veel dan toch met dat thema te maken blijkt te hebben. Maar de voorstelling komt vooral tot stand door het spelen in kleine zalen. De try-outs. Dat is het echte maakproces. Ik schrijf geen voorstelling van tevoren. Ik repeteer ook niet. De eerste tien, twaalf voorstellingen ontstaat ie gewoon. In feite heeft het publiek juist bij die try-outs een topavond: die zien mij op dat podium staan, de helft van de tijd bezig mijn reet te redden. In een voorstelling zitten soms dingen die ik mezelf heb opgelegd, zoals een lang gedicht dat aansluit bij de thematiek. Maar ja, dat moet dan nog wel geschreven worden. Bij gedichten geldt: als ik eerst die centrale regels maar heb. Ik weet inmiddels: dan gaat de rest ook wel komen.

Dat soort dingen doe ik dus in de trein. Op mijn laptop, of op papier of mijn iPhone. In de trein schrijven is prettig. Ik kan me er goed concentreren. Ik reis eerste klas, buiten de spits, dat scheelt. Of ik last heb van pratende mensen? Ach, mensen hebben het volste recht om te praten. Maar niet precies dáár. Als ik er echt last van heb luister ik wel eens mee. Dan ga ik er gewoon over twitteren: ze hebben het nu hier over, ah, nu zegt zij weer dat. Ik krijg daar meteen veel reacties op, dat vinden mensen leuk. Twitteren we met z’n allen vrolijk over twee irritante mensen in mijn trein. Zo kom ik die treinrit dan natuurlijk wel door.”

Morgen speelt Dolf Jansen voor het laatst zijn huidige voorstelling in het Openlucht Theater Mariahout.

    • Saskia van Loenen