Geen bezoek bij het dodenravijn van Babi Jar

Ook de Oekraïners hebben een monument: Babi Jar, bij Kiev. Een nationaal museum, zoals in Auschwitz, is hier niet.

Correspondent Rusland

Het is even zoeken, naar Babi Jar. Wie de metro uitkomt, ziet geen toeristische bordjes naar ‘het ravijn’. Een verkoopster van simkaartjes wijst naar een goed bijgehouden parkje. Daar zijn pluizende populieren, tsjilpende mussen, flirtende stelletjes, en een enorm monument uit de Brezjnev-tijd, van bronzen mensen op een klif die elkaar vastgrijpen. „Hier werden tussen 1941 en 1943 door de Duitse fascistische bezetter meer dan honderdduizend burgers van de stad Kiev en krijgsgevangenen doodgeschoten”, staat er.

Honderdduizend is een grove schatting; precieze aantallen zijn er niet. En waar is het ravijn?

Het blijkt aan de andere kant van de vierbaansweg te liggen, in een bos vele maten groter dan het parkje. Overal ligt zwerfafval, er zijn geen bordjes. „U moet verderop zijn, daar staan wel gedenktekens, voor de verschillende bevolkingsgroepen die zijn vermoord”, zegt Lena Ivanova, die hier aan het wandelen is met haar man. Het zijn sobere, granieten monumenten. De boswandelaars schenken er geen aandacht aan. De eekhoorntjes trekken de meeste bekijks.

Bij het ravijn (jar) loopt het bos een afgrond in. Er staan moeilijk te vinden, losse gedenktekens voor afzonderlijke groepen slachtoffers. Aan de rand staat een manshoog kruis tussen het onkruid. „Op deze plaats werd aartspriester Pavel Ostrenski geëxecuteerd.”

Nog een kruis. En dan nog een. „Op deze plaats werden in 1941 mensen vermoord. God geve hun ziel rust.”

Even een stap achteruit, want daar komt een mountainbiker aan, vlak langs de kruizen. Hij kijkt niet op of om. Verder van de rand af, het bos in, is door de fietsers een schans gebouwd. Een soort miniravijn, om overheen te springen. Een uitdagende track. In Auschwitz-Birkenau in Polen wordt bezoekers voor de duur van het EK voetbal het dragen van voetbalsjaals verboden. Maar op deze plek, in Kiev, sjezen jonge Oekraïeners langs een executieplaats alsof er nooit iets gebeurd is.

Bij Babi Jar werden in september 1941 binnen drie dagen 33.771 joden geëxecuteerd. De kinderen onder de drie jaar die vermoord werden, zijn hierbij niet meegeteld. Ooggetuigen zagen het zand waaronder de lichamen bedolven werden, nog lang bewegen. Bij Babi Jar werden in 1943 ook enkele Oekraïense voetballers geëxecuteerd. Het waren spelers van de club Dynamo, die waren uitgedaagd om een potje voetbal tegen de Duitse bezetters te spelen. Ze vormden FC Start, en wonnen tot twee keer toe. De voetballers werden daarna door de Gestapo opgepakt en doodgemarteld of naar het ravijn gebracht.

Een nationaal museum , zoals in Auschwitz, is hier niet. Joden werden ten tijde van de Sovjet-Unie niet apart herdacht. Het monument voor de vermoorde Joden in Babi Jar, een grote Menorah, kwam er pas in 1991. Voor de omgebrachte zigeuners ontbreekt een gedenkteken.

Lena Ivanova zit niet te wachten op enig nationaal monument bij het ravijn.

„Wij hebben op school geleerd wat er gebeurd is”, zegt ze.

De belangrijkste informatie wordt uit boeken gehaald, voornamelijk uit Borderland (2000) van de Britse historica en journaliste Anna Reid. In heel Oekraïne zijn tijdens de oorlog circa 5,3 miljoen doden gevallen. Van hen waren twee en een kwart miljoen Joden. De meesten werden tussen 1941 en 1943 opgepakt en door de nazi’s doodgeschoten in de bossen rond hun eigen dorpen. Als er niet al een kuil was, zoals bij Babi Jar, moesten de slachtoffers vaak hun eigen graf graven.

In de Holocaust werd 60 procent van de Joden in Oekraïne vernietigd. Door Stalins collectivisatiepolitiek waren vóór de Tweede Wereldoorlog zeker nog eens drie en misschien wel zeven miljoen mensen van de honger omgekomen. De jaren 1932-1933 waren de ergste. Voor die slachtoffers van de honger heeft de vorige Oekraïense regering in 2009 wél een indrukwekkend nieuw museum gebouwd. Het museum moest het Oekraïense nationaal bewustzijn benadrukken.

De huidige Oekraïeners zijn geboren uit ouders en grootouders die zowel de ene als de andere slachting hebben overleefd. De oma en moeder van Lena Ivanova waren bijvoorbeeld bijna in Babi Jar gedood. „Mijn oma had donkerbruine ogen, ze dachten dat ze joods was.” Maar hoe ze hiernaartoe werden gebracht, hoe ze vervolgens ontsnapten en wanneer dat precies was, kortom, wat er precies gebeurd is, dat heeft Lena eigenlijk nooit gevraagd.

Aan de rand van het bos klinkt opeens een luide mannenstem: „Dit is beter dan seks!” Er bungelt een uitgelaten jongen ondersteboven aan een elastiek. Hij is net van een twintig meter hoge ruïne van een nooit afgebouwde flat de diepte in gesprongen. „Dit had een gekkenhuis moeten worden”, zegt Aleksandr, de bungeejumper. In het bos van Babi Jar staat een functionerend psychiatrisch onderzoeksinstituut. Daar staat een monument voor de 752 psychiatrisch patiënten die op 19 september 1941 de eerste slachtoffers van de executies waren. De patiënten die naar buiten mogen, scharrelen bedeesd over de wandelpaden .

Hebben de bungeejumpers officieel toestemming voor hun springconstructie op deze plek? „Ja”, zegt Aleksandr. „Nee”, schudt een andere jongen die ook Aleksandr heet. Hun activiteiten worden ‘gedoogd’. Op de vraag of Babi Jar voor hem nog leeft, trekt Aleksandr 1 een serieus gezicht. „Heeft u die kandelaar gezien?” Hij wijst richting de Menorah. „Voor ons eindigt Babi Jar daar. Dáár denken we eraan. Hier eigenlijk niet.”

Dit is het eerste artikel van Thalia Verkade als correspondent Rusland en de voormalige Sovjet-Unie. Thalia Verkade was hiervoor redacteur van nrc.next. Ze studeerde Russische taal- en letterkunde.

    • Thalia Verkade