'Elke keer hoor ik iets nieuws in Wagner'

Op Goede Vrijdag kijken en luisteren de leden van het Nederlandse Wagnergenootschap in Amsterdam naar Parsifal. Dit jaar naar de uitvoering in Bayreuther Festspiele van 1998. „Hoe langer het duurt, hoe beter.”

Het is Goede Vrijdag. In het zaaltje van de Vrije Gemeente in Amsterdam druppelen de bezoekers binnen. Het is een overwegend ouder publiek, mannen zijn in de meerderheid. De meesten hebben iets te eten meegenomen, want de bijeenkomst zal zo’n vijfenhalf uur duren. De sfeer is niettemin vrolijk. De gordijnen zijn dicht en aan de muur hangt een groot scherm klaar voor de jaarlijkse vertoning van Richard Wagners laatste opera, Parsifal.

Hoeder van deze traditie is het Wagnergenootschap Nederland. „Na Napoleon en Jezus Christus is over niemand zoveel geschreven als over Richard Wagner”, zegt voorzitter Ton Hogenes (73). „Zulke beweringen moet je natuurlijk met een korreltje zout nemen, maar het is in ieder geval een afschuwelijke hoop.”

Goede Vrijdag is de dag waarop de ‘zuivere dwaas’ Parsifal in de derde akte terugkeert naar de Graalburcht, gedoopt wordt en Amfortas opvolgt als koning. Dit jaar is gekozen voor een productie uit de Bayreuther Festspiele van 1998, nog in de regie van de in 2010 overleden Wolfgang Wagner, kleinzoon van de componist, met Giuseppe Sinopoli als dirigent.

Wereldwijd zijn er zo’n 130 Wagnergenootschappen, het merendeel in Duitsland. De Nederlandse afdeling is in 1961 opgericht. „In die tijd was het nog bijna verdacht om van Wagner te houden”, vertelt Hogenes. „En er zijn nog steeds mensen die met hun ogen beginnen te rollen wanneer je zegt dat je voorzitter van het Wagnergenootschap bent.”

Op het moment zijn er ongeveer 325 leden. Regelmatig organiseert het genootschap lezingen in het vaste onderkomen aan de Overtoom, De Tamboer. Daarnaast is er ieder jaar een studieweekend en zijn er stipendia voor reizen naar Bayreuth. Het genootschapsblad, Wagner after all, verschijnt vijf keer per jaar en gaat uitsluitend over Wagner. „Daar zijn we heel bezeten in. Wij zijn een stúdiegenootschap.”

Hogenes’ Wagnerliefde is ooit ontvlamd bij een Parsifal in het Holland Festival 1981. „Ik was al een operaliefhebber, maar die uitvoering vond ik zo mooi dat ik de hele avond met natte ogen heb zitten kijken. Het was de thematiek van verlossing, en dan natuurlijk die prachtige muziek. Vanaf dat moment was ik in de ban. Ik werd lid van het Wagnergenootschap en begon me te verdiepen in zijn werk, de teksten te bestuderen. Wagner luisteren zonder de teksten te kennen... het kan wel, maar het is niet zo goed.”

„Sinopoli heeft nogal lang werk”, waarschuwt bestuurslid Johan Maarsingh voor hij de dvd aanzet. „De eerste akte duurt 113 minuten.”

„Hoe langer hoe beter”, klinkt het in het zaaltje.

„Sommige mensen vinden de Matthäus al een hele zit”, zegt iemand anders.

De epische lengtes van Wagners werken schrikken hier niemand af, ze gelden eerder als een ereteken.

Gedurende het hele Vorspiel blijft het toneelbeeld donker en statisch, met in het midden de Graal. Hier spreekt slechts de muziek. Nog voor Amfortas aan het begin van de eerste akte in zijn heilzame ochtendbad ligt, wordt links en rechts al geknikkebold. Maar de meeste van de 25 bezoekers kijken en luisteren aandachtig. Verschillende aanwezigen hebben deze productie zelf ook in Bayreuth gezien. „Het licht daar was prachtig”, zegt een van hen. „Dat komt op dvd niet over. Het is hier niet donker genoeg.”

Vers bloed

„Schitterend”, verzucht kunstenaar Fred Blei na afloop. Hij heeft diverse doeken gewijd aan het werk van Wagner en is nu bezig met een groot schilderij over Parsifal. „Vorig jaar was ik bij een voorstelling in Bayreuth en het was vreselijk, de regie was veel te druk. Je moet het sober houden. Dat is hier prachtig gelukt.”

Hilke de Munnik-Mensing, die de redactie van Wagner after all verzorgt, is al lang wagneriaan. Ze houdt ook van Verdi, en van veel andere muziek, maar Wagner: toch iets speciaals. „Elke keer hoor ik weer iets nieuws. Deze cast was bovendien wel uitzonderlijk goed, dit is de beste uitvoering die ik ooit heb gezien. En die violen aan het einde, zo mooi!”

Zij heeft ook het jubileumboek ter gelegenheid van het vijftigjarige bestaan geredigeerd. „Net als ons blad bestaat het vrijwel geheel uit bijdragen van leden”, zegt voorzitter Hogenes niet zonder trots.

„Maar we verouderen, dat is wel een probleem”, zegt kunstenaar Blei. „We hebben vers bloed nodig.”

Paul Oostenbrink, zwager van de voorzitter en voor zijn pensioen werkzaam bij DNB, kijkt uit naar de vele postzegels die in het Wagnerjaar 2013 zullen worden uitgebracht. Hij is een verwoed verzamelaar, maar: „alleen over muziek.” Hij vertelt hoe zijn zus ooit tussen de familiespullen op zolder een toegangskaart voor Bayreuth uit 1933 heeft gevonden. Zonder dat zij het wisten was hun opa daar indertijd geweest, toen niemand minder dan Richard Strauss Parsifal dirigeerde. „Die kaart hangt nu ingelijst boven mijn bed.” Over de Parsifal van 1998 in Bayreuth zegt Oostenbrink: „Waar ik zat liepen de meningen uiteen. Maar ja, de regie, daar kun je altijd kritiek op hebben. De muziek blijft prachtig.”