De koe in de wei – hoe doe je dat?

In het traditionele Nederlandse weidelandschap horen koeien, in de werkelijkheid spreekt dat allang niet meer vanzelf. De moderne boer wil best, maar het is een hels ingewikkelde klus.

De standweide van Maarten Van der Wijst in Boerdonk, Noord-Brabant. Foto Thomas Bokeloh

De stoere boeren zitten over een velletje tekenpapier gebogen. „Kijk, als je de melkrobot nou hier neerzet, dan kan de koe daar door het hekje naar buiten, en zo weer terug de stal in. Volgens mij is het zo het meest logisch.”

Het kost even moeite om het jargon en het dialect van de Brabantse boeren te volgen. We zitten op het bedrijf van Maarten van der Wijst in Boerdonk in Noord-Brabant. Vierde generatie boer aan de rand van het dorp. Achter de schuren steekt de kerktoren omhoog.

Binnen zitten dertien boeren rond de tafel. Gespierde mannen, blozende koppen, opvallend veel geruite overhemden. Ze zijn uit Brabant en Noord-Limburg gekomen voor een studiedag van de coöperatie FrieslandCampina, met het opmerkelijke thema: hoe houd je de koe in de wei? Want dat is niet meer vanzelfsprekend.

Op het grasland rond het huis staan potige roodbonte koeien te grazen. „Emmerijers” vang ik op. Het blijken MRIJ-koeien: Maas-Rijn-IJssel. Ouderwetse koeien, die doen denken aan de schilderijen van Willem Maris, Haagse School.

Dit is wat Nederland wil zien: weides vol met grazende koeien, geen megastallen. Dat geeft een gezond en duurzaam gevoel. Daarom promoot de coöperatie ‘weidegang’ met een halve cent extra per kilo melk: op voorwaarde dat de koe minstens 120 dagen per jaar, minimaal 6 uur per dag buiten staat. Dat blijkt voor de moderne boer een hels ingewikkelde klus.

„Laten we eerlijk zijn, het is gewoon het makkelijkste om de koeien binnen te houden”, roept een van de boeren. De cijfers geven hem gelijk. Sinds 2006 is het percentage koeien dat helemaal niet meer buiten komt, gestegen van 17 tot 26 procent. De verwachting is dat in 2015 gemiddeld zelfs 45 procent van de koeien binnen wordt gehouden. Landelijk zijn er grote verschillen. In het westen loopt 94 procent van de koeien ’s zomers in de wei. In het zuiden komt nog maar 57 procent buiten.

Deze cijfers komen uit een studie van onderzoeksbureau CLM. Daarin staat ook dat de meeste boeren wel vinden dat de koe gewoon in de wei hoort, en dat ‘opstallen’ slecht is voor het imago van het boerenbedrijf. Maar ja, hoe hou je als boer je koe in de wei? De bedrijven raken steeds verder geautomatiseerd, het aantal koeien per bedrijf neemt toe. En aan de strenge mesteisen is beter te voldoen als de koeien binnen staan.

De nieuwe stal van gastheer Van der Wijst, jonge vader van drie kinderen, is drie jaar oud. Aan de ene kant staan twee melkrobots, aan de andere kant is de poort naar het weiland. Voor ze naar buiten mogen, moeten de koeien eerst langs de robot. Ze dragen een chip om de nek. Als ze zich ongemolken voor de poort melden, blijft het hek dicht. Er moet een bepaalde tijd tussen twee melkbeurten zitten. Koeien die net gekalfd hebben, moeten vaker langs dan drachtige koeien.

Vrijheid en techniek zijn strak op elkaar afgestemd en de koe schijnt dat te begrijpen. Althans na een tijdje. „Want koeien zijn slim, maar ook eigenwijs”, roept een van de mannen. „En het zijn natuurlijk kuddedieren”, vult een ander aan. Als er een naar buiten gaat, willen ze allemaal. Maar dat past weer niet in het schema van de peperdure melkrobots, waar de koeien zich de hele dag door één voor één moeten melden. De robot mag niet stilstaan.

De koeien moeten ’s nachts naar binnen. Waarom eigenlijk?

Domme vraag: omdat de melkrobot binnen staat. De koeien komen ’s morgens traag op gang en in de wei blijven ze liever liggen. Het is voor de boer makkelijker om ze ’s avonds naar binnen te halen en ’s morgens meteen op schema te hebben.

Vroeger was het simpel, zegt de jonge boer. Bij zijn vader en zijn grootvader en zijn overgrootvader stonden de koeien ’s winters opeengepakt in een iets te kleine stal. Zodra het gras begon te groeien en de wei droog genoeg was, werden de staldeuren opengezet en denderde de meute dansend naar buiten.

Nu draait het allemaal om „sturing” van de koe. Eten, melken, looprichting, voeden, binnen, buiten. De moderne weidegang is een kwestie van logistiek. Van der Wijst heeft zijn koeien pas een week buiten. Hij wilde eerst nog maaien. „De eerste snee is altijd het beste en die kuil ik in voor de winter”, legt hij uit.

Geen goed idee, vindt een biologische boer in het gezelschap. „Mijn vader zei altijd al: koeien moeten zo vroeg mogelijk naar buiten.” Er breekt een discussie los. Vakbroeders onder elkaar. Ze moeten het juiste evenwicht zien te vinden tussen weiden, maaien en, uiteraard, het weer.

Dan gaan we het land op. Van der Wijst heeft een lange stok bij zich met aan de onderkant een ronde schijf van piepschuim en aan de bovenkant een metertje. Hij laat het piepschuim op het grasoppervlak rusten en leest de meter af. Hoe meer droge stof er in het gras zit, hoe minder hij in de stal hoeft bij te voeren. Het gezelschap kijkt bewonderend. Voor de leek wordt de materie steeds lastiger.

Droge stof? Het blijkt een maat voor de voedingswaarde van het gras, als het water eruit verwijderd is. Een melkkoe eet per uur één kilo droge stof. Weidegang is mooi, maar het gras moet wel voldoende voedzaam zijn.

Dat blijkt hier niet het probleem. We lopen over sappige percelen waar het gras zo’n tien centimeters hoog staat. Vijftig hectare heeft Van der Wijst in totaal. Ruim voldoende om zijn 150 koeien dagelijks minstens zes uur de wei in te sturen.

Die luxe hebben lang niet alle boeren. De kavels in het zuiden van het land zijn gemiddeld veel kleiner dan in de uitgebreide polders van het noorden en het westen. De boeren kunnen geen kant op met hun groeiende veestapels. Ook al biedt de melkcoöperatie hier een halve cent meer voor weidemelk. Ze zijn allemaal voor de koe in de wei. „Dan voel je je pas echt boer”, klinkt het.

    • Renée Postma