De Bovenbazen (25)

Heer Ollie haalde ongeduldig de schouders op. De woorden van Joost hinderden hem en daarom begaf hij zich op weg om de uitwerking van de neerdalende nevels gade te slaan. Hij hoefde niet ver te lopen. Aan de rand van het bouwland trof hij Pee Pastinakel aan, die met een bekommerde blik naar de grond stond te kijken.

‘Wat schort er aan, goede vriend?’ vroeg hij. ‘Zijn de insecten niet verdelgd?’

‘Ja,’ zei het ventje treurig. ‘Ze zijn helemaal verdelgd.’

‘Nu, dat is toch mooi?’ hernam heer Ollie. ‘Waarom kijk je dan zo sip? Ben je niet blij dat de keverplaag ten einde is?’

‘De kevers?’ herhaalde de ander bitter. ‘Die leven nog, hoor! De gele nerfknagers zijn gehard, ze kunnen er tegen. Nee, mijn verdelgers zijn verdelgd. Kijk maar, daar liggen ze.’ Heer Bommel bleef getroffen staan en boog zich naar de grond. Daar lagen de spinnen met de pootjes omhoog, doch de kevers repten zich voort, op zoek naar frisse planten.

‘Nu kunnen ze ongestoord hun gang gaan,’ zei het mannetje klagend. ‘De bruine sluipers zijn dood en het zal lang duren voor ik een nieuw broedsel klaar heb. Het hele gewas gaat naar de vernerving.’

Heer Bommel zakte in en ging moedeloos op een steen zitten. ‘Ach, wat is dat nu naar,’ prevelde hij. ‘De kevers kunnen er tegen; net als de muggen uit mijn slaapkamer. Wat nu te doen?’

‘U moet niets doen!’ riep Pastinakel ontstemd. ‘Door uw gedoe worden de gele nerfknagers een geweldige plaag!’