Bij Meijsing is er geen gezin dat deugt

Als een geliefd schrijver wordt weggerukt uit het leven, betreur je niet alleen de persoon, maar ook het werk dat er nooit meer zal komen. Bij de in januari overleden Doeschka Meijsing is dat gevoel des te heviger omdat ze op het toppunt van haar kunnen stond.

Voor haar laatste roman Over de Liefde (2008) kreeg ze terecht de AKO-literatuurprijs. Uit de postuum verschenen verhalenbundel Het kauwgomkind blijkt dat er nog veel meer van dit soort hoogwaardig autobiografisch proza in het vat zat. Naarmate zij als schrijver groeide, slaagde ze er met steeds meer raffinement in haar eigen leven en obsessies literair vorm te geven, verwijzend naar, maar nooit simpel herleidbaar tot, de werkelijkheid.

Van de 23 verhalen in Het Kauwgomkind zijn de laatste vier niet eerder gebundeld. Meijsing had ze bedoeld voor een nieuw boek met familieverhalen die ‘hard en kaal, genadeloos’ moesten zijn, aldus Xandra Schutte in een nawoord. En genadeloos zijn ze, voor alle personages, maar het meest voor de moeders/echtgenotes in de aan haat en nijd ten onder gaande, o zo keurige gezinnen.

Angstaanjagend en bitter zijn vooral de spiegelende verhalen ‘De oude man & het zwijgen’ en ‘De kinderen’ waarin een jaarlijks kerstritueel eerst vanuit het perspectief van de pater familias wordt beschreven en vervolgens uit dat van kleine kinderen. De oude man haat zijn bedillerige vrouw, heeft een hekel aan zijn lawaaiige kinderen en kleinkinderen. Ze behandelen hem alsof hij dement is, maar hij weet wel als enige hoe je ‘lachen als een boer met kiespijn’ in het Frans vertaalt: rire jaune. Dit zure lachen van mensen die tegen hun zin tot elkaar veroordeeld zijn en toch de schijn van saamhorigheid op moeten houden, blijft nog lang naklinken. De oude man weet trouwens op indrukwekkende wijze te deserteren.

U kunt de hele recensie hier lezen.