Sporters motiveer je beter met een oorlogsfilm

Soms doet een sportfilm aan de realiteit denken. Neem de ijshockeykomedie Slap Shot uit 1977. Speler-coach Reggie Dunlop (Paul Newman) is het mooi en sportief verliezen meer dan beu en besluit de gebroeders Hanson in te zetten, drie infantiele, extreem agressieve reuzen die elke tegenstand vermorzelen in bloed en uitgeslagen tanden. Zo komt de sjeu erin: Dunlop zet op een gegeven moment zelfs een prijs op het hoofd van een rivaal. Betogers die walgen van spelverruwing? Die moont het team vanuit de spelersbus.

Sprekend José Mourinho, de Portugese coach die zowel bij Inter als Real Madrid met afbraakvoetbal en een sfeertje van ‘fuck de rest van de wereld’ de geoliede machine van Barcelona ontregelde. En ook het Nederlands Elftal toen coach Bert van Marwijk bij het Wereldkampioenschap van 2010 afscheid nam van het mooie circulatievoetbal met het gepantserde stootblok Nigel de Jong-Mark van Bommel, onze eigen gebroeders Hanson. Ook in Oekraïne gaan ze vast weer bewijzen dat voetbal oorlog is.

Ik herontdekte Slap Shot tijdens een dagje tevergeefs zoeken naar teams die zich door sportfilms laten inspireren. Coach Nick Saban van Alabama Crimson Tide stuurde zijn footballteam in januari de avond voor hun kampioenswedstrijd naar de oorlogsfilm Red Tails (2012): vecht tot de laatste kogel, de laatste man. Alabama won met 21-0. In deze krant las ik dat trainer Frank de Boer Ajax voor de wedstrijd tegen PSV opzweepte met video’s van Michael Jordan; Ajax won met 2-0. Steve McClaren motiveerde zijn FC Twente ooit met de kleedkamerspeech van coach D’Amato (Al Pacino) uit Any Given Sunday (Oliver Stone, 1999).

Die speech is inderdaad een parel van sportretoriek; Pacino smeedt binnen drie minuten de verdeelde Miami Sharks samen tot vechtmachine. Van een zacht „We’re in hell right now, gentlemen, believe me” werkt hij via een schor fluisterende biecht naar een crescendo. In het leven draait het om seconden, om centimeters. Ga die ene centimeter voor je teammaat, etc. De rest van Any Given Sunday is minder motiverend, dat laat McClaren dus niet zien. Sporters zijn grote kinderen met domme, statusbeluste vrouwen, de coach is een sneue drankneus, bestuurders zijn inhalig en artsen liegen spelers voor zodat ze met gevaar voor kreupelheid doorspelen – denk Arjen Robben en zijn wonderbaarlijk genezen hamstringblessure bij het WK 2010.

Van zulke realistische sportfilms gaan spelers maar piekeren. En romantische sportfilms dan? Waarin losers boven zichzelf uitstijgen zodat ze nipt winnen van teams met veel meer geld, talent of ervaring? Lachwekkend voor een prof: zo werkt het niet. Een oorlogsfilm motiveert misschien, sportfilms zijn voor amateurs.

    • Coen van Zwol