Joost Swarte en de stoethaspels

De groten uit de wereld van de strip eerden, kopieerden en plagieerden hem al veelvuldig.Vandaag bekroont Nederland striptekenaar annex ontwerper Joost Swarte met de Toonderprijs, de staatsprijs voor de strip.

Het kost moeite niet geëxalteerd te raken over het oeuvre van Joost Swarte, over al zijn mogelijkheden en al die magistrale platen. Zijn Amerikaanse collega Art Spiegelman (van Maus) prijst zijn „visuele intelligentie” en eert hem als een belangrijk tekenaar. Chris Ware (van Jimmy Corrigan) geeft toe hem bestudeerd, gekopieerd en geplagieerd te hebben en Charles Burns (van Black Hole) noemt hem onomwonden een „genie”. Het is nogal wat als drie van de belangrijkste hedendaagse tekenaars dat over je zeggen. Internationaal is hij de meest aansprekende Nederlandse tekenaar en zijn status wordt vandaag in Nederland bevestigd met de toekenning van de Marten Toonderprijs voor het oeuvre van een striptekenaar die een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan het beeldverhaal.

Swarte kan meerdere ideeën samenballen in één alles onthullend beeld, wat bijna altijd leidt tot een opwindende of geestige vondst. Vervreemdend en bijna surrealistisch, en toch direct begrijpelijk, met een wow-factor die ook ontstaat door de functionaliteit van het tekenwerk. Minimale lijnvoering levert een schoongewassen decor en vrolijke, subtiele details op.

Voor Swarte staan de ontreddering en verbazing van de mens centraal. Zijn vormbeheersing dient de emotie. Een goed voorbeeld is de omslagtekening die hij in 2007 maakte voor het tijdschrift The New Yorker: in de diepte tussen zwarte wolkenkrabbers zit een mannetje te lezen, op wie een brede lichtstraal valt, waardoor hij in kleur oplicht. De grote vlakken zwart en wit zijn hard gesneden, niets leidt het oog af van de figuur. Het is een mooie metafoor voor het geluk dat lezen brengt en de eenzaamheid waarmee lezen gepaard gaat.

Swarte is geen striptekenaar in klassieke zin. Iedereen is wel eens iets van zijn hand tegengekomen: illustraties in kranten en tijdschriften, affiches, boekomslagen, platenhoezen, telefoonkaarten, postzegels en lettertypes.Zijn geconcentreerde, grafische stijl, waar de geest van Mondriaan en Escher doorheen waait, is in alles herkenbaar. Een verteller van lange adem is hij niet. Begin dit jaar verschenen zijn verzamelde strips in het boek Bijna Compleet. Het langste verhaal telt zestien pagina’s.

Dat was een financiële kwestie, zei hij eerder dit jaar, in een gesprek met deze krant. „Van voorpublicaties in striptijdschriften kun je leven, maar de undergroundbladen waar ik voor tekende, hadden daar niet de frequentie voor.” Ook zijn onrustige aard verhindert een lang verhaal of graphic novel. „Ik ben iemand van de hak op de tak. Ik mis het geduld om twee jaar lang niks anders te doen dan aan één boek werken. Dat vind ik saai. Het is leuker om iets af te ronden en met iets nieuws te beginnen.”

Het stripwerk in Bijna compleet stamt uit de jaren zeventig, toen de jonge Swarte nog zoekende was. Eind jaren zestig studeerde hij Industriële Vormgeving in Eindhoven. Hij brak die studie af na een stage bij een golfkartonfabriek in Deventer. Hij ontwierp er onder meer een display in de vorm van een arrenslee, voor worst bij AH, die in productie werd genomen, en een nieuwe balie voor de ontvangstruimte. Maar Swarte wilde expressiever zijn en ging striptekenen.

Tijdens zijn studie had hij in bladen als Hitweek en Aloha het werk leren kennen van alternatieve tekenaars als Robert Crumb en Willem. Dat het mogelijk is om strips voor volwassenen te maken, was een openbaring. „Die underground leverde strips op met thema’s die mijn belangstelling hadden, zoals seks, politiek, maatschappijkritiek en popmuziek. ”

In 1971 begon hij als 23-jarige te pionieren met een eigen blad, Modern Papier. „Ik spoorde mensen uit mijn omgeving aan om strips te maken. Jonge tekenaars van wie ik zag dat ze vernieuwend waren schreef ik aan, of ze in mijn blaadje wilden publiceren.” Dat bracht hem in contact met een uitgeverij die een boek wilde maken met jonge tekenaars. Cocktail Comics – ondertitel: ‘met het beste uit de undergroundstrip van dat moment’ – verscheen in 1973 met werk van onder anderen Evert Geradts, Ever Meulen, Peter Pontiac, Willem, Marc Smeets en Swarte zelf.

In de aanloop naar dat boek bepaalde Swarte zijn eigen stijl. „Wat ik tot dan toe tekende was niet zo coherent. Als ik de kans kreeg om in een goed gedistribueerd boek te komen, zei ik tegen mezelf, dan moest ik het beste maken wat ik in me had.”

Swarte wierp zich serieus op het bestuderen van tekenstijlen. „Zo ontdekte ik dat in de boeken van mijn jeugd, in Kuifje van Hergé met name, iets gebeurde wat mij meenam als lezer. Tegelijk werkte ik met de vrijheden die de underground in de jaren ervoor had gecreëerd, zoals het aansnijden van volwassen thema’s. Met die wat bizarre combinatie van eigenschappen vond ik mezelf uit als tekenaar.”

Zijn hand van tekenen heet de klare lijn: de term die Swarte in 1977 bedacht, bij het schrijven van een catalogustekst bij de eerste Nederlandse expositie van Hergé . Een etiket als een klaroenstoot, maar het was ironisch bedoeld, zegt hij er zelf over. Inmiddels is de term ingeburgerd, ook als benaming van zijn eigen werk. Zelf ziet hij zijn stijl als tegenhanger voor de innerlijke wanorde bij de mens die hij weergeeft. „De mensen zoals ik ze verbeeld in mijn strips zijn stoethaspels of klunzen. Mensen die leven met een illusie. Ze lopen verloren en die geestesgesteldheid vraagt om heldere tekeningen.”

De laatste decennia laat Swarte zich met plezier sturen door opdrachtwerk, met illustraties voor Vrij Nederland, Humo en The New Yorker als belangrijkste blikvangers. Zulk werk ligt hem. „Als je een lang verhaal moet tekenen, ben je je eigen opdrachtgever en dan volg je een pad dat je zelf hebt uitgestippeld. Opdrachtgevers werpen hindernissen op die veel gecompliceerder zijn. Die moeten pareren is interessant, en heel creatief.”

Chris Ware noemt hem zo bedreven als ontwerper, architect en kunstenaar dat „het moeilijk te geloven is dat hij ooit stripmaker was”. Bij het ontwerp van het nieuwe gebouw van theater- en filmhuis Toneelschuur in Haarlem was dat toch te merken. Ondanks de praktische lessen in de kartonfabriek over massa en volume, moest een bevriende architect hem erop wijzen dat een gebouw voor 15 procent uit muur bestaat, en dat hij in zijn eerste schets alleen lijntjes had getekend.

Klare lijntjes, ongetwijfeld.

    • Ron Rijghard