De Bovenbazen (24)

Hij pakte de keverplaag flink aan; de volgende morgen was dat reeds merkbaar. Toen Pee Pastinakel zijn ronde langs het gewas deed om te zien of de bruine sluipers al opschoten, werd hij opgeschrikt door vliegtuiggeronk. Het was een toestel van de Algemene Insecten Bestrijdings Dienst dat laag over het geteisterde landschap daverde – en dat in het voortvliegen een dichte ddt-nevel achterliet. Het ventje sloeg een hand voor de neus en deinsde achteruit.

‘Gassen!’ prevelde hij verblekend. ‘Met het geluid van dolle kervel; maar ik hoor ook dodekopskruid. Het is niet te harden!’

‘Het is prachtig,’ sprak heer Bommel, die niet ver vandaar eveneens in de lucht stond te staren. ‘Nu kan men eens zien wat de moderne techniek vermag!’

‘Excuseer mijn storing, heer Olivier,’ zei de bediende Joost, die bescheiden naderde. Hij wierp een gehinderde blik op de overbulderende machines en vervolgde met verheffing van stem: ‘Het gaat om de insecten, met uw welnemen!’

‘Ja, ja, zo is het!’ riep heer Bommel uit. ‘Wij roepen het ongedierte een onverbiddelijk halt toe! Eh… wat kom je doen, Joost?’

‘Het gaat om de muggen,’ hernam de trouwe knecht. ‘In uw slaapkamer, als u mij toestaat. Die zit vol – en het gebroed is gewend geraakt aan mijn bespuitingen. Ik was reeds zo vrij om dat gisteren op te merken. Hebt u niet iets anders dan die ddt?’

    • Marten Toonder