Zou je zelf je kind erheen sturen?

Alle scholen moeten goed zijn, vinden de wethouders in de drie grote steden. Maar zo ver is het nog niet. „De ouders mogen wat van de school verwachten, en andersom.”

Als de Rotterdamse onderwijswethouder Hugo de Jonge (CDA) een school binnenkomt, staan zijn zintuigen op scherp. Eerste indrukken zeggen veel. Hoe staat het pand erbij, hoe gedragen de leerlingen zich, wat is de stemming onder de leraren? De Jonge stond ooit zelf voor de klas en bij elk schoolbezoek vraagt hij zich af: zou ik hier willen lesgeven? En: zou ik mijn eigen kinderen hier op school durven doen?

Het antwoord op die vragen is niet altijd ‘ja’, maar de laatste jaren wel steeds vaker, zegt hij. „Het gaat beter met het onderwijs in Rotterdam, mede dankzij de bemoeienis van de lokale politiek. Terwijl de Cito-scores in Nederland de laatste jaren gemiddeld gelijk zijn gebleven, zijn ze in Rotterdam omhooggegaan. We naderen het gemiddelde van de andere grote steden. Daar ben ik trots op.”

Op het ministerie van Onderwijs in Den Haag zit De Jonge aan tafel met zijn collega’s Lodewijk Asscher (PvdA) en Ingrid van Engelshoven (D66), onderwijswethouders in respectievelijk Amsterdam en Den Haag. Ze zijn net op bezoek geweest bij minister Van Bijsterveldt (Onderwijs, CDA) en praten op verzoek van deze krant over hun inspanningen om het onderwijs in hun steden, dat er jarenlang niet goed voorstond, naar een hoger plan te tillen.

Hoe beantwoordt u de vraag van De Jonge? Is elke school in uw stad goed genoeg voor uw eigen kinderen?

Asscher: „Nee, natuurlijk niet. De schoolkeuze voor je kind is verschrikkelijk belangrijk. Ik wil dat alle scholen in Amsterdam gewoon goed zijn, maar zover is het nog niet. Het aantal zwakke scholen, waar volgens de inspectie ondermaats onderwijs wordt gegeven, is gedaald van veertig naar tien. Dat is goed, maar nog niet goed genoeg. Ouders moeten overigens wel iets te kiezen hebben. Ik vind het belangrijk dat er verschillende schooltypes worden aangeboden. Geen Cubaans systeem met school één tot en met tweehonderd, die alle hetzelfde zijn.”

Van Engelshoven: „Voor ieder kind moet in de eigen buurt een goede basisschool zijn.”

Lukt dat in de Schilderswijk en Transvaal?

Van Engelshoven: „We hebben in Den Haag een enorme afname van het aantal zwakke basisscholen bereikt: van 23 in 2010 naar 12 in 2012. Zeer zwakke scholen hebben we niet meer; in 2010 waren dat er nog twee. Het besef dat ook voor kinderen van laagopgeleide ouders een hoge Cito-score mogelijk is, begint bij schoolbesturen door te dringen.

Asscher: „Ik heb gesprekken met schoolbestuurders gehad waarin werd gesteld dat een niet zo goede school voor ‘bepaalde populaties’ – dat is een codewoord voor allochtonen – wel goed genoeg is. Dan stel ik zo’n bestuurder de vraag die u mij daarnet stelde: zou u uw kind op deze school doen? Dan kan je een speld horen vallen. Die stilte laat ik een halve minuut duren. Dan is de boodschap wel duidelijk.”

Van Engelshoven: „Je hoort wel eens op scholen: deze kinderen kunnen niet beter. Die houding wil ik niet meer zien. En sommige scholen zijn al heel goed bezig. Op de rand van Transvaal en de Schilderswijk zit het Johan de Witt College. Ze hebben een ‘alumniclub’, bestaande uit oud-leerlingen die zijn gaan studeren en nu worden ingezet bij de huiswerkbegeleiding op hun vroegere school. Dat rolmodellenidee deed de school op tijdens een werkbezoek aan de South Bronx in New York.”

Hoe dwingend kunt u sturen op kwaliteit? Hoe krijgt u de schoolbesturen in het gareel?

Asscher: „Stad en stadsbestuur zijn gebaat bij goed onderwijs. Inwoners spreken je erop aan en rekenen je erop af. Ik ontleen moreel gezag aan die ouders. En daarnaast kan ik aan de geldkraan draaien. In Amsterdam hadden we het probleem dat sommige scholen in het voortgezet onderwijs zeer populair waren – daar werden veel kinderen uitgeloot – en de rest tevreden was met de uitgelote kinderen die hun kant opkwamen. Daarvan heb ik gezegd: niemand krijgt meer geld voor nieuwbouw voordat dit probleem is opgelost. En de oplossing is niet: de populaire scholen laten groeien. De oplossing is: de andere scholen beter en aantrekkelijker maken door te specialiseren bijvoorbeeld, of tweetalig onderwijs aan te bieden. Dat heeft gewerkt. Dit jaar heb ik veel minder mails van boze ouders ontvangen.”

Van Engelshoven: „Wat ik vaak doe, is los van de schoolbesturen op scholen kijken en rechtstreeks met de directeuren praten. Die hebben vaak wensen en ambities, waarbij ze ook tegen hun schoolbestuur aanlopen.”

De Jonge: „Je kan veel bereiken door overtuiging uit te stralen. Laten zien dat de toekomst van de stad afhankelijk is van de resultaten van het onderwijs. En daarnaast is er het geld voor het onderwijsachterstandsbeleid dat we verdelen. Dat zetten we gericht in. Bijvoorbeeld door voorscholen op te richten in achterstandswijken. Vroeger stuurden we geld op, nu sturen we op geld.”

Wat staat er op uw verlanglijstje voor na de verkiezingen?

De Jonge: „Het beleid dat minister Van Bijsterveldt heeft ingezet – de lat omhoog, voor leerlingen van elk niveau – moet worden doorgezet. Dat proces is nog lang niet afgerond.”

Asscher: „Dat klopt. Ik wil de minister een compliment maken, ook al ben ik niet van haar partij, voor het feit dat ze veeleisender is geworden op het gebied van kwaliteit. Het heilig geloof in de autonomie van scholen is tanende. Dat vergt moed, zeker voor een minister van CDA-huize.”

De drie wethouders hebben een probleem met het wetsvoorstel over passend onderwijs zoals het kabinet dat heeft ingediend. Scholen in het reguliere onderwijs zijn vanaf 1 augustus 2014 verplicht een passende onderwijsplek te bieden aan leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben. Pas als het echt niet anders kan, mogen kinderen met leerproblemen naar het speciaal onderwijs.

Van Engelshoven: „Het is belangrijk dat gemeenten meer te zeggen krijgen over het passend onderwijs.”

Asscher: „Precies. In de wet die nu bij de Kamer ligt, zit een weeffout. De gemeente is verantwoordelijk voor de jeugdzorg, maar over het passend onderwijs mogen we straks niet meepraten. Dan moeten we dus gaan bedelen bij de schoolbesturen, of we alsjeblieft mogen meepraten over deze leerlingen.”

De Jonge: „Terwijl veel kinderen die passend onderwijs nodig hebben, ook te maken hebben met de jeugdzorg. Daarnaast is er een groep die in en uit loopt bij het mbo en het jongerenloket. Als wij deze mensen willen helpen, moeten we ook over hun scholing kunnen meedenken.”

Hoe belangrijk is ouderbetrokkenheid, waar Van Bijsterveldt zo op hamert?

De Jonge: „Dat is bij ons een van de pijlers van het beleid en gaat verder dan de vraag wie dit jaar de baard van Sinterklaas omhangt. Het gaat om educatief partnerschap tussen ouders en school. Dat betekent wederkerigheid: de ouders mogen wat van de school verwachten, en andersom. De scholen moeten een ouderbetrokkenheidsplan hebben. Zo niet, dan geen subsidie. Een school informeert tijdig en geregeld; ouders komen verplicht op rapportavonden. Scholen moeten daar streng op toezien.”

Van Engelshoven: „Maar bied ouders ook relevante zaken. Bied taalles op school aan, lessen die specifiek ingaan op de omgang met school, op voorlezen, enzovoort. Wij hebben een school waar elke dag het eerste half uur wordt voorgelezen en ouders van harte welkom zijn om mee te lezen. De eerste week kwamen er twee opdagen, maar de belangstelling groeit. Ouders willen wel betrokken zijn, maar ze weten vaak niet hoe.”

Asscher: „Ik kies voor een praktische aanpak gericht op de vraag van ouders en de sterke kanten van ouders. Daarbij zoek ik naar een balans tussen een steuntje in de rug voor wie daar behoefte aan heeft en stevige, positieve druk en duidelijkheid waar dat nodig is. Zonder daarbij de verantwoordelijkheid van ouders over te nemen.”

Tot slot: drie politieke kleuren aan tafel, maar één mening. Opvallend.

De Jonge: „Onderwijs is een minder gepolitiseerd onderwerp dan twintig jaar geleden. De aard van de omvang van de problematiek bepaalt je positie en stellingname, niet zozeer de politieke kleur.”