YES we kill Yes

Door de massale inzet van drones gaan in Afghanistan minder Amerikaanse militairen dood. Maar Barack Obama’s reputatie als ‘redder van morele standaarden’ is aan diggelen.

28 Feb 2007, Washington, DC, USA --- Democratic Presidential candidate Senator Barack Obama in his office on Capitol Hill in Washington, DC. --- Image by © Brooks Kraft/Corbis © Brooks Kraft/Corbis

Correspondent Verenigde Staten

Barack Obama heeft als president van de verenigde Staten twee moeilijke oorlogen geërfd van zijn voorganger, George W. Bush. Hij wilde ze niet, zei hij meermaals, maar was wel vastbesloten om ze tot een goed einde te brengen. „Deze tijd van oorlog is begonnen in Afghanistan, en hier zal die ook eindigen.” Hier sprak Obama de Nobelprijswinnaar voor de Vrede (in 2009), die oorlog soms als noodzakelijk kwaad ziet, maar uiteindelijk kiest voor vrede. Met een verwijzing naar de strijd van Martin Luther King voor rassengelijkheid, zei Obama destijds, bij de prijsuitreiking in Oslo: „Ik ben een levende getuige van de morele kracht van geweldloosheid.”

Maar vorige week publiceerde dagblad The New York Times een onthullend artikel waarin tientallen (oud-)medewerkers in het Witte Huis het beeld schetsen van een president die eigenmachtig over het doden van vermeende terroristen beslist. Het beeld van Obama de Oorlogspresident.

Amerikaanse soldaten mogen zich dan terugtrekken uit Afghanistan (en ze deden dat eerder al uit Irak), de échte oorlog die Obama erfde, was de War on Terror van Bush. En die oorlog, begonnen na de aanslagen van 11 september 2001, gaat onverminderd door. Niet langer met militairen op de grond, maar met onbemande vliegtuigen – drones – die met duizenden cirkelen boven Pakistan, Afghanistan, Jemen en boven andere locaties waar de Verenigde Staten het maar nodig vinden. Sterker nog: Obama stelt hoogstpersoonlijk de kill list samen, de lijst van terreurverdachten die gedood moeten worden.

Zijn persoonlijke betrokkenheid hierbij begon al begin 2009, een paar dagen na zijn inauguratie. Obama vernam toen dat burgers waren omgekomen bij een drone-aanval. De president wilde, om het aantal burgerslachtoffers te beperken, zelf aan de knoppen zitten. Maar tegelijkertijd liet hij de juridische definitie van ‘burger’ behoorlijk oprekken: alleen slachtoffers van wie postuum de onschuld wordt bewezen, vallen nog onder die categorie. Anonieme medewerkers betwijfelen daarom of er het afgelopen jaar geen burgers zijn gedood bij drone-aanvallen, zoals John Brennan, Obama’s anti-terreurcoördinator, onlangs zei.

Komiek Stephen Colbert maakte dit weekend in zijn televisieshow korte metten met de definitie van ‘terrorist’ die Obama hanteert: iedere man in de omgeving van een terreurverdachte is óók terrorist, tenzij het tegendeel bewezen wordt. „Hij kan er heel mooi een ander probleem mee oplossen. Waarom gooit hij geen bom op Guantánamo Bay? Daar zitten terroristen of mensen die in de buurt van terroristen staan.” In Guantánamo Bay zitten, ondanks een verkiezingsbelofte van Obama om de gevangenis te sluiten, nog altijd circa 170 terreurverdachten vast, zonder proces.

Bijna geen Amerikaan weet dat de War on Terror onder Obama minstens zo hard is voortgezet, zegt Micah Zenko van de Amerikaanse denktank Council on Foreign Relations. „De oorlog gaat door, alleen de middelen zijn anders. De troepen komen naar huis, maar het aantal aanvallen met onbemande vliegtuigen is spectaculair gestegen.”

Zenko geldt als de grootste expert op het gebied van oorlogsvoering met drones. Hij maakt zich zorgen, zegt hij, over het gebrek aan openheid bij de Amerikaanse regering. „Spreek een Amerikaanse regeringsfunctionaris aan over oorlogvoering met onbemande vliegtuigen en je hoort woorden als ‘chirurgisch’, ‘precies’, ‘uitschakelen’. Het zijn woorden die de suggestie wekken van schone oorlogsvoering. Maar als je doorvraagt en je wilt weten hoeveel dode familieleden van een terreurverdachte acceptabel zijn, of hoe vaak het mis gaat, dan hoor je niets meer dan vaagheden. Ze zeggen dat het binnen het internationaal recht past. Of ze zeggen dat het onder militaire geheimhouding valt. Op die manier blijft deze oorlog iets abstracts, alsof het publiek niet mag weten wat er gebeurt.”

Het lijkt het publiek, én de invloedrijke commentatoren, nu pas te dagen. Barack Obama: drone warrior, schreef columnist Charles Krauthammer dit weekend in dagblad The Washington Post. „De vredestichter, de Nobelprijswinnaar, de apologeet die zei dat Amerika zijn morele standaarden had verloren door de mensen ruw te verhoren (in Guantánamo Bay, red.)” – uitgerekend die man lijkt nu volgens Krauthammer op „Zeus de Wreker, die toeslaat met bliksemschichten”.

Krauthammer vermoedt dat het Obama niet slecht uitkomt dat het grote publiek hem leert kennen als iemand die ook hard kan toeslaan. Een artikel dat op dertig bronnen rondom de president is gebaseerd, kan niet zonder goedkeuring van de president tot stand zijn gekomen. Het is een half jaar voor de verkiezingen en Obama laat zich ook graag zien als een koelbloedig leider, die terroristen raakt waar hij maar kan en het aantal militaire doden aan Amerikaanse zijde door de massale inzet van drones drastisch omlaag heeft gebracht. Op die manier kan hij elke kritiek op zijn buitenlands beleid van zijn Republikeinse tegenkandidaat Mitt Romney pareren. Niemand kan nu meer beweren dat Democraten soft zijn.

Maar een echt debat over zijn oorlogsprestaties, nee, dat wil Obama niet, zegt deskundige Micah Zenko. „Ik wil ook niet dat iemand ziet hoe ik mijn artikelen schrijf. Niemand houdt ervan bekeken te worden. Het is een menselijke reflex. Daarbij wil Obama zo min mogelijk debat in eigen land, zodat hij minimale verantwoording hoeft af te leggen.”

Amerikanen, zegt Zenko, zijn voor voortzetting van oorlog met drones omdat ze niet goed weten wat het is. „Een woordvoerder van het Pentagon zei pas geleden dat er maar ‘heel weinig’ burgerdoden vallen. Hoe weinig? En hoe wordt dat gemeten? Nee, dat kon hij allemaal niet zeggen. Dat is een probleem in een land dat zichzelf een democratie noemt. De regering houdt cruciale informatie achter. Ik ken Obama’s morele weging van oorlog niet. Hij stapt af van oorlog op de grond, maar breidt de oorlog met drones uit. Dat hoeft niet te duiden op een andere morele afweging, eerder komt het door verbeterde technologie. Ik vind dat de continuïteit opvalt. John Brennan zei een maand geleden dat Amerika het recht heeft iedereen te doden die lid is van Al-Qaeda of aanverwante organisaties. Dat principe is dus nog altijd leidend.”

Los van de vraag of Obama een punt heeft of niet, schept deze ‘schone’ manier van oorlogvoeren een verontrustend precedent. Want als het voor de VS zo gemakkelijk en – in eigen ogen – moreel gerechtvaardigd is om tegenstanders op deze manier uit te schakelen, dan zal het dat voor andere landen op den duur ook worden. China en Rusland kijken ongetwijfeld met belangstelling mee naar deze ontwikkelingen, schrijft The New York Times.

Bovendien kan deze strategie zich ook tegen de VS keren: drones zullen nooit de gewenste overwinning brengen en zullen de haat tegen Amerika in landen als Pakistan en Jemen alleen doen toenemen, zegt Zenko. „Drones doden. Maar ze zaaien ook nieuwe anti-Amerikaanse gevoelens. Al-Qaeda kan even hard verder rekruteren. De Amerikaanse ambassadeur in Islamabad, Pakistan, zei: ik kan 3 miljard dollar aan hulp uitgeven, maar Pakistanen zien mij alleen maar als gezicht van een regering die Pakistaanse burgers doodt.”

Omdat het Witte Huis en het Pentagon zwijgen, onderzoekt Zenko nu zelf de Amerikaanse oorlogsvoering met onbemande vliegtuigen. Hij noemde deze week in Foreign Policy Magazine twaalf Amerikaanse bases, op drie continenten, waarvandaan drones opstijgen. De bases liggen niet alleen in Pakistan of Afghanistan, zegt Zenko, maar ook in landen waar je ze minder verwacht: Qatar, Turkije, Ethiopië, de Filippijnen. Meestal stijgen vliegtuigen op om te surveilleren, soms om iemand te doden. Hij roept lezers op mee te helpen zoeken, via Google Maps bijvoorbeeld. „Ik doe dat”, zegt Zenko, „omdat ik ervan overtuigd ben dat we de wereld zo niet veiliger maken.”

    • Guus Valk