Waarom ik me niet liet steriliseren

Voor mannen is sterilisatie een kleine medische ingreep. Emotioneel ligt dat ingewikkelder. Schrijver Henk van Straten zou schrijven over zijn vervulde kinderwens en z’n definitieve besluit geen nageslacht meer te willen verwekken.

Het liep anders.

Samen zaten we in de wachtkamer van de huisarts, mijn oudste zoontje (5) en ik, allebei met reden. Hij omdat hij een ontstoken wijsvinger had en ik omdat me wilde laten steriliseren. Zoiets kun je helaas niet ter plekke door de huisarts laten doen, dus feitelijk kwam ik voor een doorverwijzing.

Dit gebeurde ongeveer tweeënhalve week geleden. (Het was eigenaardig, zelfs wat unheimisch: mijn zoontje met een rode kloppende vinger en ik met mijn penis.)

De huisarts gaf me de doorverwijzing zonder obligaat kruisverhoor. „Ik heb niet het idee dat jij nog ergens over twijfelt.” Dit had hij helemaal juist ingeschat. De vastberadenheid was blijkbaar van mijn gezicht af te lezen.

Ik hou van mijn twee zoontjes, echt waar, maar ze slopen me. Een derde kind zou me zowel geestelijk als lichamelijk ruïneren. Ik zou permanent gestresst zijn en het idee hebben dat ik geen controle meer over mijn eigen leven heb en daardoor tegen iedereen snauwen, me verliezen in zelfmedelijden en een algeheel gevoel van ‘de wereld is tegen mij’. Nu kost het me al veel moeite een lieve, rustige vader te zijn. Ik acht het niet uitgesloten dat een derde me mijn huwelijk zou kosten. En daarnaast zijn we ook met condooms en de pil wel klaar.

Ik maakte een afspraak. „De 24ste”, zei ik thuis tegen mijn vrouw. Onze twee jongens gooiden kussens naar ons. Die ochtend waren ze, zoals gebruikelijk, rond half zes wakker geworden. „Goed”, zei mijn vrouw, weinig enthousiast, maar dat schreef ik toe aan de uitputtingsslag van ons dagelijkse ochtendritueel. Want ook zij stond helemaal achter deze beslissing.

Op het vel papier las ik: ‘De avond voor de ingreep dient u de haargroei naast de penis en op de gehele balzak te verwijderen. Enige uren voor de ingreep dient u het onderlichaam enkele minuten goed te wassen met zeep.’

Het weekend voorafgaand aan de 24ste aten we in een restaurant met een bevriend echtpaar. Trots vertelde ik over de aanstaande ingreep. „Ik ga het doen!”, riep ik. Mijn vriend reageerde tegelijkertijd jaloers en sceptisch. Ook hij heeft twee kinderen en ook hij vindt het zwaar. Net als ik wil hij niet nog meer tijd en vrijheid inleveren. Zijn vrouw net zo min, maar bij haar woekert nog altijd dat helse onkruid: de wens nóg een kind te krijgen.

Er vloeide wijn, er werd gelachen. Mijn vrouw was in haar sas. Ze beaamde alles wat ik over de ingreep te zeggen had en voegde zelfs eigen argumenten toe, bijvoorbeeld dat er een kans zou zijn dat er met de derde iets mis was, chromosomaal gezien. Daar was ikzelf nog niet eens opgekomen. Alles ging volgens plan. We proostten op mijn ballen.

Een sneetje van 1 cm

Op het vel papier: ‘Aan beide zijden verdooft de arts plaatselijk de huid van de balzak en het gebied rondom de zaadleider. Via een sneetje van 1 cm. aan beide kanten haalt de uroloog…’

De nacht van 23 mei droomde ik dat ik naakt, met mijn benen wijd, op een gynaecologische stoel zat en dat een zwetende arts me met zijn dikke wijsvinger (daar heb je de wijsvinger weer) porde in het stuk huid tussen mijn balzak en anus (het perineum).

De ochtend van 24 mei verliep moeizaam. Onze jongens waren druk en huilerig. Ruzie om het aankleden en de boterhammen. Ik was nerveus voor de ingreep, maar vooral ook mijn vrouw had een kort lontje. Terwijl ik op zolder zat te mediteren, hoorde ik haar beneden reprimandes schreeuwen. Na vijf minuten kwam ik geïrriteerd van m'n kussen af en liep naar beneden.

„Wat doe je?”, vroeg ik geërgerd.

„Wat ik doe?!”, riep ze. Tranen in haar ogen. „WAT IK DOE?!” Ze stormde de kamer uit, smeet met de deur en rende naar boven.

„Goed”, zei ik. „Jullie gaan nu Mario Karten.”

Ik belde het ziekenhuis en zegde de afspraak af.

Het was alsof er opeens een einde was gekomen aan een heel harde pieptoon in onze oren. De plotselinge stilte bracht ons allemaal tot bedaren. Mijn vrouw nam haar normale kleur weer aan. Ook ik voelde de spanning uit me stromen.

Wat was er gebeurd? Nog steeds wil ik geen derde kind. Ik pieker er niet over. Ook zou het niet eerlijk zijn te zeggen dat mijn vrouw het eerst wel wilde en toen ineens niet meer, of dat ze zichzelf al die tijd alleen maar heeft wíjs gemaakt dat ze het met mijn sterilisatie eens was. Kortom: dat het een typisch vrouwending zou zijn geweest. Want ook ik ontwaakte op 24 mei met een onheilspellend gevoel. Het was alsof zich onder de oppervlakte, bij ons allebei, een verandering had voltrokken. Als een rijpe appel kwam die uit de boom gevallen.

Rationele argumenten schieten blijkbaar tekort. De vurige redenen om met de sterilisatie door te gaan, zijn losse flodders gebleken, en dat betekent dat ook de argumenten vóór het behouden van mijn functionele ballen louter verhaaltjes zouden zijn. Zoals het argument dat mijn vrouw de afgelopen weken nog wel eens wilde aanhalen: „Wat als we één van de twee kinderen verliezen?” Ja, wat dan? Is een nieuw kind dan sowieso het antwoord?

Allemaal pogingen om vorm te geven aan ijle lucht.

Maar nu ik dit zo schrijf, besef ik ineens dat ik de vrolijke welwillendheid van mijn vrouw al die tijd heb overdreven en haar signalen van twijfel heb overschreeuwd. Want al was haar argument van het verloren kind niet per se rationeel en dus valide, de achterliggende emotie was dat waarschijnlijk wel. Haar woorden kon ik gladstrijken, maar haar (misschien wel dierlijke?) gevoel niet.

Was ik opgelucht?

En nu heb ik het nog steeds alleen maar over háár sluimerende ambivalentie. Maar ik hoorde die pieptoon óók, evenals de comfortabele stilte na het afzeggen van de afspraak in het ziekenhuis. Was ik opgelucht? Wilde ik het zelf al die tijd eigenlijk ook niet? In alle eerlijkheid: ik heb geen idee. Dit is het territorium van de onderbuik. Je denkt dat je met je hoofd wel eventjes doortastend kunt zijn, maar je wordt, zonder tekst en uitleg, keihard onderuit geschoffeld.

En nu? Ik kan het voelen. Er is weer een wissel omgezet. Ik denk aan de speelgoedtrein die ik had als kind. Met zo’n knop waaraan je draait – en dat de trein dan ineens op een ander spoor voortdendert. Nieuw terrein!

(En, o ja, ‘we’ nemen nu een spiraaltje.)

Henk van Straten (1980) publiceerde de romans: Salvador (2010) en Superlul (2011). Hij werd in 2010 en 2012 genomineerd voor de BNG Literatuurprijs en stond dit jaar op de longlist voor de Libris Literatuurprijs.