Waar de VN-waarnemers in Syrië komen is het éven rustig

Waar de VN-waarnemers in Syrië gaan, daagt even vrede. Maar hun taak is onmogelijk: twee partijen verzoenen die alleen genoegen nemen met het verdwijnen van de andere.

Syrische vrouwen lopen door een wijk in de stad Homs die bij gevechten zware schade heeft opgelopen. De foto werd zondag vrijgegeven door de Syrische oppositie. Foto AFP

Het konvooi van de Verenigde Naties heeft zijn verrassingseffect gemist: heel Muhassan is uitgelopen om generaal Robert Mood, de Noorse bevelhebber van de VN-waarnemersmissie in Syrië, te verwelkomen.

Dat doen ze in de eerste plaats met portretten van de martelaars die het afgelopen jaar in dit dorp zijn gevallen. „Bashar is een eend”, roepen de kinderen, een verwijzing naar het koosnaampje voor de president in de gelekte e-mails van zijn vrouw Asma.

Muhassan is een dorpje op 20 kilometer van van Deir es-Zor, een stad in het noordoosten van Syrië. Het water van de Eufraat, die 100 kilometer verderop Irak binnenstroomt, maakt dat dit een groene en vruchtbare streek is te midden van de dorre woestijn. Dit is ook tribaal gebied, bevolkt door dezelfde, sunnitische stammen als in Irak.

„Het leger heeft ons omsingeld”, zegt een 25-jarige student die zijn naam geeft als Mohammed Mahmoud. „We hebben nog wel eten maar we kunnen onze producten niet verkopen op de markt. Bij de checkpoints hebben ze lijsten van gezochte personen en bijna iedereen in Muhassan staat op de lijst.”

Vandaag is het rustig, maar er zijn tekenen dat dat niet altijd zo is. Bij de ingang van het dorp is een watertoren veranderd in legerpost. De soldaten schuilen er achter zandzakken en het gebouw zit vol kogelgaten, een teken dat de rebellen zich niet altijd beperken tot zelfverdediging. De graffiti bij de checkpoints verraden de mentaliteit van de soldaten: „Assad, of we branden het land plat.”

Muhassan is dan omsingeld, het is ook een van de weinige ‘bevrijde gebieden’ in Syrië vandaag. „Er zijn niet zoveel plaatsen waar je naar toe kan. Hier in Muhassan zit een vrij grote groep rebellensoldaten”, zegt ‘Abu Leith’ (zijn krijgsnaam), een kapitein in het regeringsleger die drie dagen geleden is overgelopen. Dat hij zo lang gewacht heeft, komt doordat Abu Leith uit Tartous aan de kust komt. „Ik moest eerst mijn familie in veiligheid brengen.”

Generaal Mood luistert geduldig naar de bewoners, alvorens zich af te zonderen voor een gesprek met de plaatselijke bevelhebbers. Wanneer het konvooi vertrekt, staan de VN-wagens vol met leuzen: „Red onze kinderen van Assad”, „Het enige probleem in Syrië is het regime”.

De chauffeurs zijn later uren in de weer om de wagens weer neutraal wit te krijgen.

Hoe diep het water is bleek ook eerder op de dag, toen generaal Mood op bezoek ging bij de gouverneur van Deir es-Zor, Samir al-Sheikh. „Wij hebben hier te maken met gewapende groeperingen, criminelen, niet met de oppositie”, zegt de gouverneur, een alawiet en ex-militair die pas sinds het uitbreken van de opstand is aangesteld. „Ze hebben al drie keer geprobeerd me te vermoorden. De echte oppositie, die zit in het parlement. De regering is veel te geduldig geweest. De gewapende groepen moeten gewoon hun wapens opgeven.”

Na afloop zegt de generaal tegen de Syrische televisie dat het gesprek „hoopvol” was. „De gouverneur heeft gezegd dat hij bereid is om de gevangenen vrij te laten als de rebellen de wapens neerleggen.”

Dat is een beetje wishful thinking maar de generaal moet ook diplomaat zijn. „Tussen pessimistisch en hoopvol zal ik altijd voor hoopvol kiezen”, zegt Mood achteraf. Er zijn successen geboekt: een staakt-het-vuren in Rastan, de vrijlating van gevangenen in ruil voor de teruggave van militair materieel. „Mijn hoop is dat die lokale successen zich vertalen in een nationale consensus. De mensen zijn het geweld zat: ze willen aan het werk, ze willen dat hun kinderen naar school kunnen.”

Mood en zijn 291 waarnemers opereren in het kader van het vredesplan van Kofi Annan, de gezant van de Verenigde Naties en de Arabische Liga. Maar de aanwezigheid van de VN-waarnemers heeft een bloedbad als tien dagen geleden in Houla niet kunnen verhinderen. „Dat soort tragedies werkt in ons nadeel”, geeft de generaal toe, „en we vechten ook tegen de tijd: we hebben geen jaren, we hebben hooguit maanden.”

Dat sommige leden van de Veiligheidsraad steeds luider de mogelijkheid van een militaire tussenkomst opperen maakt Moods werk er niet makkelijker op. „Zolang de oppositie gelooft dat er een internationale interventie zit aan te komen, zal het geweld doorgaan. Als het regime met de rug tegen de muur wordt gezet, zal het geweld ook doorgaan. Een compromis is niet onmogelijk: uit mijn contacten heb ik de indruk dat het regime beseft dat meer geweld niet de oplossing is.”

Of de oppositie nog bereid is tot een compromis dat niet de val van het regime inhoudt, is zeer de vraag. De tol is hoog geweest; volgens de oppositie 563 doden sinds het begin van de opstand. „Deir es-Zor is de vergeten stad”, zegt de 25-jarige student ‘Alaa al-Deiri’ op een dak ergens in de stad. Al-Deiri was een van de organisatoren van de revolutie hier. Vorig jaar had Deir es-Zor 57 dagen lang zijn eigen Tahrirplein op het Midilgiplein, met dit verschil dat er geen buitenlandse media stonden te kijken. Op 7 augustus zette het leger de aanval in: volgens de oppositie vielen er in zeven dagen 117 doden.

Maar ook de oppositie gebruikt geweld. „Iedereen die voor de overheid werkt is een doelwit”, zegt een 18-jarige jongen die zijn naam niet wil geven. „Mijn vader is ambtenaar en ik kan nergens gaan zonder lijfwachten, uit vrees ontvoerd of vermoord te worden.”

Toch is de jongen geen aanhanger van de regering: dertien mensen van zijn stam zijn gedood door het leger, zegt hij. „Ik zit tussen twee vuren. Mijn vader ook: als hij ontslag neemt, wordt hij verdacht voor het regime. Er is geen hoop.”

In januari was er heel even hoop, toen de waarnemers van de eerste missie van de Arabische Liga hadden aangekondigd dat ze naar Deir es-Zor zouden komen. Voor het eerst sinds augustus verzamelden zich opnieuw duizenden mensen op het Midilgiplein. Maar de waarnemers kwamen niet opdagen. Het leger opende het vuur en volgens de oppositie werden twintig mensen doodgeschoten. „Wij wilden het doen zoals in Egypte: vreedzaam protest”, zegt Deiri op zijn dak. „Ikzelf wil nog altijd geen wapen opnemen. Maar er komt een moment waarop je jezelf moet verdedigen.”

    • Gert Van Langendonck