Vlees is lekker, dood dier is zielig

Mensen houden van ‘vleesproducten’, niet van herkenbare dieren op hun bord. Merkwaardig.

Een varkenskop drijft in een ketel, afgelopen januari, op het jaarlijkse feest van varkensslachters in het dorp Getjsa in Oekraïne. Op het vuur staat een bijzondere soep volgens oeroud recept. Zes teams van slagers nemen het tegen elkaar op bij de slachten van varkens voor bijzondere gerechten. Foto AFP

Ach wat zielig, liet mijn neefje zich ooit ontvallen toen hij ‘konijn gestoofd in groene kool’ op de menukaart zag staan. Wat is daar zielig aan? „Nou, het konijn houdt zélf zo van groene kool.” Een beroep doen op empathie is een van de belangrijkste wapens van de vegetariër met zendingsdrang. Wanneer vleesliefhebbers zich moeten verantwoorden voor de moord op iets met reebruine ogen of anderszins aaibaars, dan staan ze vaak met de mond vol tanden. Los daarvan, niemand wil hier zijn zoals de Chinezen, waarvan men zegt dat ze alles eten met vleugels, behalve vliegtuigen, en alles met poten, tafels uitgezonderd.

De roep om verbeterd dierenwelzijn wordt luider. Het kilo-knallen is op z’n retour, poeliers sterven uit en de Vegetarische Slager doet goede zaken. Je zou dus zeggen dat dit de vleessector slapeloze nachten bezorgt. Maar dat zal, blijkens de statistieken dat de vleesconsumptie al jaren goeddeels stabiel is, nogal meevallen. De gemiddelde carnivoor laat zich blijkbaar niet snel tot flexitariër ompraten, en al helemaal niet tot planteneter pur sang.

Als Nederland evenveel vlees eten, dan moeten er – behalve deze steeds luider geuite wens tot vergroot dierenwelzijn – nog andere machinaties werkzaam zijn die het gedrag van de consument op dit terrein bepalen. En dat klopt. Mensen die erover worden geënquêteerd, geven hoog op van hun beleden dierenliefde, maar die schijnen hun mening daarover meteen te laten varen wanneer ze in de supermarkt aan prijsvergelijking doen.

Misschien eten we ook wel meer vlees zonder het door te hebben: een biefstuk geldt in de perceptie echt als vlees, maar ook in mor-tadella, leverworst en tosti’s zijn dode dieren verwerkt. Dat telt ook op. Men zou hierin zelfs het wrange resultaat kunnen zien van de schroom die de gemiddelde consument heeft opgebouwd voor de aanblik van herkenbaar dode dieren, en bloed in het algemeen.

Deze stabiliteit in de vleesconsumptie zou ook zijn verklaard doordat de resterende carnivoren gewoon méér vlees eten. Want het aantal mensen dat de confrontatie uit de weg gaat met een herkenbare kop, poot of vlerk (zie het slagersfestival in Oekraïne) mag dan wel groeien, er zijn ook mensen die juist willen weten waar hun eten vandaan komt. Herkenbaarheid, zoals van lamsbouten, adelende fazanten en druipende hazen, is voor hen juist een pre. En juist daarvan is de gemiddelde vlees-intake per couvert groter dan van een slavink of een kipnugget.

Hier mag de tegenstrijdigheid niet ongenoemd blijven die vroeg of laat bij de discussie tussen vleesminnende en vleesmijdende mensen de kop op steekt: de aanblik van een tableau jachtwild wekt bij vleesvlieders meer afschuw op dan een schap leverworst, maar het is wél het meest biologische scharrelvlees denkbaar.

Al met al hebben uitgerekend de Chinezen over eetgedrag iets verstandigs gezegd. Eten dat op één poot staat, zoals een plant of een paddenstoel, zeggen ze, verdient de voorkeur boven iets met twee poten, zoals vogels. En dat is op zijn beurt nog altijd beter dan het eten van iets met vier poten.

Op pag. 2/3: Hedendaags vegetarisme

    • Menno Steketee