Nooit meer „gááán”in dit rothok

Die verschrikkelijke sportschool heeft wel mooi mijn leven gered, bekent Colin van Heezik.

Het geluk van het voetbalveld? Ik ken het niet. Ik werd altijd als laatste gekozen, bij het schoolvoetbal, onder luid protest van mijn teamgenoten: als we hem in het team krijgen, dan kunnen we wel inpakken! Ze hadden gelijk – als er contact was tussen mijn lichaam en de bal, kwam dat doordat ik onbedoeld in de weg stond en de bal mij keihard raakte, altijd op een plek waar het pijn deed. En als de bal per ongeluk vlak voor mijn voet kwam, werd ik zo zenuwachtig dat ik zelfs een schot voor open doel wist te missen. De jongens uit mijn team vielen dan op hun knieën en bogen hun bovenlichaam achterover, alsof ze zich direct tot God wilden richten, en de Noord-Hollandse boerenknechten veranderden voor even in Italiaanse profvoetballers (ze hadden dit gedrag waarschijnlijk op tv gezien): hoe kun je zo’n bal missen!

Gelukkig kon ik wel hard rennen. Daarom ging ik op mijn vijftiende op atletiek. Op mijn zestiende liep ik een redelijke tijd op de 400 meter (54 seconden) en werd ik de onbetwiste nummer 2 van het district Noord-Holland/Zuid-Holland/Utrecht.

Verder zou ik niet komen. Want toen ging ik studeren. Met het trainen was het snel gedaan. Er moesten vrouwen versierd worden, bier gedronken. ‘Het leven ontdekken’. Zo leefde ik jarenlang en van atleet veranderde ik in een ‘bon vivant’ van 88 kilo. Mijn moeder gebruikte het eufemisme ‘Hollands welvaren’ om niet te hoeven zeggen dat ik een dikke, pafferige André Hazes in een ribfluwelen jasje was geworden.

Dit moest stoppen. Ik wilde weer, of voor het eerst, een jonge god worden. Zo’n marmeren beeld, maar dan eentje die zijn armen en benen kan bewegen. Misschien kon het nog? Ik besloot me in te schrijven bij een sportschool.

Het eerste jaar was ik lid zonder er ooit heen te gaan. Eens in de maand kwam ik langs om een saunaatje te pakken. En dan ging de jonge god-in-spe weer op het terras zitten, waar ik mijn vrienden vertelde dat ik eigenlijk een vlammend opiniestuk zou moeten schrijven tegen sportscholen die dure abonnementen verkopen aan mensen zoals ik, van wie ze heus wel weten dat ze niet gaan komen.

Maar er knaagde iets. Een schuldbesef. Het zat ergens ter hoogte van de navel. Het brandde, zoals dat pasje van die sportschool in mijn portemonnee. En toen, zoals Robert de Niro in Taxi Driver, nam ik een besluit. Een echt besluit. Ik zou gaan zweten.

Dat doe ik nu al vijf jaar. Ik ben nog steeds geen jonge god, maar wel 15 kilo lichter. Bye bye lifestyle à la Herman Brusselmans zonder boeken te schrijven. Weg met die sigaret en met dat alcoholisme dat gezelligheid genoemd wordt omdat het pas om vijf uur ’s middags begint en, ha ha, toch weer om vijf uur ’s ochtends eindigt. Dankzij de sportschool: die prachtplek voor mensen die niet van sporten houden.

Mijn methode: plan het in, houd vol, leuk of niet leuk, en je raakt vanzelf verslaafd.

Okay, het blijft wennen dat je op muziek van Enrique Iglesias staat te zweten tussen narcistische mannetjes die hun benen scheren en stewardessen die er veel te goed uitzien voor hun leeftijd. En soms vind ik het een beetje eng, bijvoorbeeld als ik in de kleedkamer zie dat andere mannelijke sportschoolbezoekers een schone Dolce en Gabbana-boxer bij zich blijken te hebben voor na het sporten. Of als de body pump-instructrice dingen roept als „No pain, no gain!” of, na afloop van de training, „Geniet van je after workout high!”

Lach er maar om. Voor mij zit er niets anders op. Ik heb nu eenmaal geen balgevoel.

Als de training voorbij is, word je overvallen door een lichte emotie. Je hebt jezelf overwonnen. Je bent weer even nummer 2 van het district.

De sportschool, die stomme sportschool, heeft mij gered. En als je er maar lang genoeg blijft, ga je vanzelf hooibalen zien.

Colin van Heezik (1977) is freelance journalist. Hij studeerde in Parijs aan de École Normale Supérieure.