'Ik ben het geluk niet kwijt'

Ruim een jaar geleden verloor hij zijn zoon. De Vlaamse reclameman Guillaume Van der Stighelen noteerde wat hij voelde in kale, sobere gedichten, maar sloot zich niet af. ‘Elke helpende hand van vrienden, buren, collega’s: neem die aan.’

Wie zijn naam zoekt op Google ziet het portret van een jongen met sluik haar en kalme, bruine ogen. Mattias Van der Stighelen, 21-jarig student Industriële Wetenschappen, was 1 maart 2011 op een feestje in een Antwerps studentenhuis. Midden in de nacht vielen hij en een vriend, vermoedelijk stoeiend, in een keldergat op de binnenplaats. Mattias brak zijn nek, hij was op slag dood. De vriend raakte in coma en overleefde. Hij herinnert zich niets van het ongeluk.

Mattias’ vader is de Vlaamse schrijver Guillaume Van der Stighelen (56), voorheen creatief directeur van het succesvolle reclamebureau Duval Guillaume. Hij schreef bestsellers als Maak van je merk een held (2008). Na het ongeluk droogden de woorden op, maar niet helemaal, en hij bleef ze noteren. Ze landden in een boek als kale, pure gedichten. Afgelopen week verscheen het in Nederland, met een cd waarop de bevriende zanger Jean Bosco Safari in al even sobere arrangementen de woorden zingt.

Door zijn vaders bekendheid was de val van Mattias in België nieuws. Het werd een massaal gedeeld afscheid. Duizenden betuigden hun medeleven via Facebook en Twitter. Na een oproep op Facebook kwamen honderden een kaars branden tegenover Mattias’ ouderlijk huis.

Guillaume Van der Stighelen gaf geen interviews. Wel publiceerden Belgische kranten twee opmerkelijke brieven van hem. Een week na het ongeluk drukte De Morgen met zijn toestemming een e-mail af aan de chef nieuws van die krant, een vriend van hem. Van der Stighelen looft Facebook en zet zich af tegen het niet-delen van verdriet. ‘Wat vroegere generaties van ons gemaakt hebben, is akelig. Eenzame, in zichzelf opgesloten arme sukkels die er trots op zijn dat ze hun verdriet kunnen opvreten.’

Twee maanden later stuurde hij een brief naar De Standaard. De jonge Belgische wielrenner Wouter Weylandt was overleden na een val in de Giro d’Italia. Van der Stighelen richtte zich tot de vrienden, buren en familie van diens ouders, zus en vrouw. Hij merkte op dat er verbazend weinig literatuur is over hoe je moet omgaan met rouwenden. Bij twijfel: langsgaan, raadde hij aan. ‘Breng soep mee. Dat is het eerste dat er bij mij in ging.’ (..) ‘Vergeet de grootouders niet. (..) Zij moeten steun geven aan hun kinderen, terwijl ze zelf een kleinkind verliezen.’ (..) Zeg vooral niet: bel als je me nodig hebt. Iemand die rouwt, belt zelf niet.’

Het ongeluk gebeurde in de nacht. De dag erna was de eerste warme lentedag. Een uitbundige dag als deze, op een Antwerps terras. Op het tafeltje ligt zijn boek, Jij bent de zon nu. Symbolen zijn belangrijk geworden. Als hij en zijn vrouw Kris ergens heengaan, nemen ze een steen mee waarop Kris een zonnebloem heeft geschilderd. FC Matti, een vriendenelftal dat na het ongeluk werd opgericht, speelde goed dit jaar. Bij elke wedstrijd brak de zon door.

Waarom zette u zich in De Morgen af tegen het in stilte verwerken van verlies?

„Ik merkte al snel dat de mediabelangstelling wrevel wekte. Als je mijn reputatie hebt – altijd in de krant en op tv, over alles een mening – dan denken mensen: die zal wel naar de krant gebeld hebben. Muzikanten die wij kennen, wilden bijdragen aan het afscheid. Je voelt het verwijt: je maakt er een show van. Ik heb daar zelf ook mee geworsteld.

„Dan waren er mensen die ons vertelden hoe zij met hun verdriet in een hoekje waren gaan zitten. Dat vonden ze dapper, ze waren er trots op. Ik denk dat het verzuurt. Wij zijn gemaakt om te delen. Je kunt dat romantisch, poëtisch vinden, maar het is biologisch. Wij zijn een schakel in een klein netwerkje. We zijn verbonden zielen. En poef, dan valt er een zieltje uit. Het is natuurlijk om dat samen te verwerken.”

Hoe deed u dat?

„Wij deden niets, wij waren op dat ogenblik niks waard. De mensen om ons heen reageerden op een heel natuurlijke manier. Je voelt dat mensen graag solidair zijn. Ze willen je aanraken. Een stuk van je verdriet overnemen, ook al zijn ze zelf radeloos. Na twee maanden zaten er nog steeds elke avond tien, twaalf man bij ons in huis. Er hing een lijst in de keuken wie van de vriendjes die dag zou koken. Ontbijt, middag, avond. Mooie gebaren, het gebeurde vanzelf. Geen rituele verplichting.

„Tegelijk kun je goede vrienden hebben die niet elke dag komen, omdat ze het zelf te moeilijk hebben. De afwezigheid van iemand van wie je voelt dat hij er graag bij zou zijn, maar die dat niet kan, is even belangrijk als de aanwezigheid van een ander.”

Had u last van de media-aandacht?

„Ik begrijp dat mensen een verhaal willen als een bekend persoon iets ergs meemaakt. Het is interessant als een Mercedes langs de snelweg met de klep omhoog staat. Een journaliste, een vriendin van ons, belde huilend op dat ze van haar krant een verhaal moest maken. Ik zei: daar doe ik niet aan mee. Maar hier in huis zitten een heleboel vrienden van mijn zoon die niets liever willen dan over hem praten. Nu hebben wij twee prachtige pagina’s met verhalen over mijn zoon.”

U schreef in De Standaard dat u in het begin veel had aan Slachtofferhulp. Op welke manier?

„Ze bellen op de eerste dag, ze weten dat je een beetje verdwaasd bent. Ze zeggen dat je moet beseffen dat dit heel erg is. ‘Probeer niet het alleen te dragen. Zet de deur open. Elke helpende hand van vrienden, buren, collega’s: neem die aan.’ Ik had het hard nodig dat te horen. Omdat ik nogal een flinke jongen ben die denkt dat hij alles aankan.

„Het telefoontje daarna was van een oude schoolvriend die nu in de VS zit. ‘Jongen, ik ben zo geschrokken. Ik sta klaar om te komen.’ Ik zei: ‘Is goed. Kom maar.’ Zijn aanwezigheid die eerste week – net als die van alle anderen – is zo belangrijk voor mij geweest. Een normale reactie bij een bekend iemand is: ‘Heb je mij wel nodig. Er zijn al zoveel mensen om je heen.’ Nee, jóu heb ik nodig. Want wíj hebben samen onder die boom gelegen, naar de sterren gekeken, gedroomd over wat de toekomst ons zou brengen. Het belangrijkste dat je verliest, is je perspectief. Je dromen. Het is niet alleen een kind dat je verliest, het is ook een papa. Kleinkinderen, daar heb je ook al beelden van.”

Heeft u contact gezocht met de ouders van wielrenner Wouter Weylandt?

„Nee. De brief in De Standaard was ook niet gericht aan hen, maar aan de mensen om hen heen. Ik heb wel veel mails gehad van vrienden van hun zoon die schreven dat ze niet goed wisten wat ze moesten doen. En dat ze door die brief wel even zijn langsgegaan. Daar was ik heel blij om.”

Vervolg op pagina 6

Vervolg van pagina 5

In een interview van kort voor het ongeluk, te vinden op uw blog, komt u over als een uitgesproken gelukkig mens. Was dat levensgevoel in één klap weg?

„Mijn eerste paniek was dat ik mijn vrouw nooit meer zou zien lachen. Zij lacht heel mooi. Mijn tweede angst was dat ik de gave dankbaar te zijn kwijt was, de gave om ‘het nu’ als het grootste goed te waarderen. Het kan vreemd klinken maar diezelfde dag nog heb ik mijn vrouw zien lachen. Diezelfde dag was ik dankbaar dat de zon er stond. Ik heb het geluk niet verloren. Tegelijk is dat heel verwarrend natuurlijk. Je veronderstelt van jezelf dat je volledig kapot bent.

„Zes jaar geleden was er in Antwerpen een racistische moord. Een kindje werd gedood, omdat de babysit zwart was. Ze was het dochtertje van goede vrienden. Zij stonden er alle-twee onmiddellijk. Ze zeiden op dat ogenblik belangrijke dingen. Verdriet is niet een dikke grijze lucht. Zelfs in het begin zijn er blauwe plekjes. Voel je niet schuldig als de zon door zo’n gat schijnt. Je hebt dat nodig. De depressies die je ook meemaakt, geven telkens het gevoel: hier kom ik nooit meer uit.”

Kunt u nog vreugde ervaren?

„Er zijn twee gevoelens die niet mengen. Dankbaarheid voor wat je gehad hebt en verdriet over wat je kwijt bent. Twee vloeistoffen, waarvan er steeds een bovenkomt.

„Ik was een gedreven mens. Ik moet nu gedrevenheid forceren. Elke dag. Zit ik een stukje te schrijven op het terras van het café van mijn dochter, dan verdwijn ik daarin. Een uur later is het een uur later. Een uur geen pijn gehad. Zoals het vroeger altijd was. Het is alsof je stukjes mag proeven van hoe het vroeger was. Daarna stopt dat weer.”

Hoe beleeft u andere ‘publieke’ sterfgevallen van kinderen?

„We hebben hard zitten huilen bij de afscheidsviering van de kinderen van het bus-ongeluk in Zwitserland. Je deelt het verdriet van die ouders fysiek. Hetzelfde met prins Friso. Die mama, Beatrix – alleen in dat artificiële milieu. Ik had zo met haar te doen. Zijn daar buurvrouwen, zussen? Friso zat ook met jongens in de klas. Het zou goed zijn als die even zouden langsgaan. Om een zoen te geven, een knuffel. Dingen over hem te vertellen.

„In het begin hoorde ik allemaal dingen die ik niet wist. Het gaf mij even het gevoel dat ik een waardeloze vader was geweest. Zo een die nooit thuis is, niet luistert. Later draagt het bij aan een nieuw, rijker beeld.”

Las u Tonio, het boek van A.F.Th. van der Heijden over zijn verongelukte zoon?

„Mijn vrouw las Tonio. Ik kon haar lof niet goed horen. Ik dacht: vraag mij wat je wilt weten over een vader met een dode zoon. Zij dacht dat ik jaloers was op het succes van een boek dat ik zelf had willen schrijven.”

Welke boek was voor u belangrijk?

„De troost van de filosofie van Alain de Botton. Een ex-medewerker stuurde me twee exemplaren. Hij dacht: dit is zo erg, je hebt er twee nodig. Dat is ook zo. Een voor onderweg en een voor naast je bed. Toevallig had ik een paar maanden eerder Datumloze dagen gelezen van Jeroen Brouwers. Dat begon na te zinderen. Ik had nooit echt begrepen dat het een afscheid van zijn zoon was. Hoe belangrijk het kan zijn door het bos te lopen, langs bomen te lopen. Alleen om nog eens langs die bomen te lopen.”

Kunt u dit verdriet delen met uw vrouw?

„Ik ben het woord medelijden gaan begrijpen. Jij lijdt, ik lijd mee. Ik kan bijna verdrietiger zijn om wat zij meemaakt dan om wat ik meemaak. Omgekeerd ook. Ik heb haar vaak gezegd: ik help jou hier doorheen. Dat wordt mijn grote werk. Eigenlijk ben ik het wrak geweest.

„Je helpt elkaar erdoor. Twee sukkelaars, elk een been verloren, die samen wandelen. Je kunt elkaar niet loslaten. Dan val je.”

Motivatie

„Is even weg. Dat is een van de moeilijkheden die ik dagelijks moet overwinnen. Ik heb altijd anderen kunnen motiveren. Dat pas ik nu toe op mezelf. Ik schrijf graag grappige liedjes in Antwerps dialect. Dat brengt me op gang.”

Inspiratie

„Ik had altijd inspiratie. Dan denk je daar niet over na. Fietsen misschien, nu. Door het ritme van de trappers ga je niet piekeren. Er komt muziek in jou. Woorden. Als ik fiets, moet ik regelmatig afstappen om iets in te tikken.”

Aspiratie

„Mijn aspiraties zijn heel dagelijks. Proberen een moment van vreugde te bouwen. Vandaag.”

Frustratie

„Is er nooit geweest, zal er nooit zijn. We hebben nooit gedacht: dit is onrechtvaardig, waarom hij, waarom? Automatisch denk je: wat is wel rechtvaardig? Dat het andermans kind is? Wij zijn geen rancuneuze mensen. Daar ben ik dankbaar voor.”

Nooit

Ooit

Was jij voor altijd

Nooit

Zie ik jou weer

Nooit

Gaat het voort

Nooit

Geen enkele keer

Nooit

Wat een woord

Uit de bundel ‘Jij bent de zon nu’,Guillaume Van der Stighelen, € 19,95.

‘Je verliest vooral je perspectief, je dromen’

„Er waren mensen die ons vertelden hoe zij met hun verdriet in een hoekje waren gaan zitten. Dat vonden ze dapper. Ik denk dat het verzuurt.”

Foto’s Bob van der Vlist

‘Dankbaarheid en verdriet mengen niet’

„Je deelt het verdriet om prins Friso. Die mama, Beatrix – ik had zo met haar te doen.”

    • Joke Mat