Het gaat goed met de wetenschap, maar niet zo lang meer

De geschiedenis van de VS, het succes van Duitsland en een rapport van de Europese Commissie laten zien dat vrij, fundamenteel onderzoek tot groei leidt. Maar in Nederland wordt door magisch denken de zelfde onderzoekseuro twee keer uitgegeven, zegt Robbert Dijkgraaf in zijn slotrede.

In 1939 bezochten 44 miljoen mensen de New York World’s Fair. Het thema was ‘de wereld van morgen’. Maar de twee vindingen die als geen ander de toekomst zouden kleuren, kon men daar niet zien: kernenergie en de computer. Toch lag hun basis om de hoek.

In 1921 verscheen het essay The usefulness of useless knowledge van de Amerikaanse onderwijskundige Abraham Flexner. Het was een gepassioneerde verdediging van de waarde van de vrij rondwarende en scheppende geest, en een scherpe veroordeling van de toenmalige universiteiten in de Verenigde Staten, die veel te veel nadruk legden op de praktische kant van kennis. Zo kon je op Columbia University een cursus volgen hoe je een schoenenwinkel opzette. Het was Flexners vaste overtuiging dat naarmate onderzoekers minder met onmiddellijke toepassingen werden geconfronteerd, ze meer zouden bijdragen aan het uiteindelijke maatschappelijke welzijn.

Flexner heeft zijn gelijk kunnen bewijzen. Kort na het verschijnen van zijn publicatie werd hij door twee filantropen benaderd die een aantal weken voor de krach van Wall Street hun warenhuis hadden verkocht. Ze verzochten Flexner een onderzoeksinstituut op te zetten en zo werd hij in 1930 de eerste directeur van het Institute for Advanced Study in Princeton.

De onvoorziene toepassingen kwamen sneller dan verwacht. Een van Flexners eerste benoemingen – na Albert Einstein – was die van de Hongaarse wiskundige John von Neumann, misschien wel het grootste genie van de twintigste eeuw. Zijn geest richtte zich op alles waar wiskunde bij gebruikt werd. Zo ontwierp hij de economische speltheorie en deed berekeningen aan de waterstofbom. Von Neumann was ook geïnteresseerd in de abstracte ideeën over een elektronische rekenmachine. Eind jaren veertig werd onder zijn supervisie in de kelder van het Institute for Advanced Study de eerste volledig programmeerbare computer gebouwd. En Von Neumanns blik reikte nog verder. ’s Avonds, als de ingenieurs naar huis waren, gebruikte hij de computer om de eerste weervoorspellingen te doen.

Deze en dergelijke voorbeelden verklaren de diepe overtuiging waarmee de KNAW (Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen) blijft hameren op de erkenning van het belang van fundamenteel wetenschappelijk onderzoek voor de maatschappij en voor de economie.

‘Hoe staat het met de Nederlandse wetenschap?’ is de vraag die mij de afgelopen jaren het meest gesteld is. Toen Leonid Brezjnev gevraagd werd in één woord samen te vatten hoe het met de Sovjet-Unie ging, zei hij: „Goed.” Toen hem daarna werd gevraagd wat zijn antwoord zou zijn als hij twee woorden mocht gebruiken, vervolgde hij: „Niet goed.”

Het gaat goed met de Nederlandse wetenschap. Er is veel kwaliteit. Ook de afgelopen jaren zijn er geweldige prestaties geleverd. Nederland is een vooraanstaand wetenschapsland dat overal in de wereld gerespecteerd is. We staan hoog in menig ranglijstje.

Maar het gaat ook niet goed. Het is ons vooralsnog niet gelukt die uitstekende prestaties in financiële ruimte te vertalen. Als we deze trend niet ombuigen, kunnen we de komende generaties slechts een bleke toekomst voorhouden.

De afgelopen jaren werden gekenmerkt door een moeizame discussie over innovatiebeleid en de topsectoren, getroebleerd door een vorm van magisch denken waarbij het gat van de weggevallen aardgasbaten gevuld zou kunnen worden door één en dezelfde euro voor fundamenteel wetenschappelijk onderzoek tweemaal uit te geven. Opmerkelijk in dat verband is het niet mis te verstane signaal dat de Europese Commissie ons vorige week gaf.

Ik citeer uit de aanbevelingen van de Commissie aan ons kabinet naar aanleiding van de in Brussel ingediende begrotingsplannen: „Daarnaast kan het negeren van fundamenteel onderzoek en het bevorderen van toegepast onderzoek op lange termijn de groeivooruitzichten van de economie schaden. Wat dat betreft is het zorgwekkend dat NWO in het kader van de ‘topsector’-aanpak een aanzienlijk deel van de middelen voor fundamenteel onderzoek heeft bestemd voor toegepaste doeleinden.”

Dat kritische Europese geluid is welkom en terecht. Nederland kan niet anders gezien worden dan als op de eerste plaats een belangrijk kennisknooppunt binnen Europa. Te weinig wordt wetenschap uitgelicht als een thema waar Europa aantoonbaar werkt, of het nu gaat om deeltjesversnellers of om digitale historische archieven.

De afgelopen twintig jaar is de concurrentiekracht van ons continent op dit vlak sterk gegroeid. Dat past ook in een lange traditie. De geboorte van de moderne wetenschap in de vroege zeventiende eeuw is in essentie een Europese zaak. Boeken, ideeën, uitvindingen en experimenten werden toentertijd al vrijelijk uitgewisseld. Het Europese onderzoeksgebied bestond al eeuwen voordat het door Brusselse ambtenaren werd geformaliseerd. Europa was het domein van Erasmus, Huygens en De Groot. Juist Nederland is het aan zijn stand verplicht de visie op Europa als eeuwenoud kenniscontinent te omarmen.

Terugkijken is altijd makkelijker dan vooruitzien. Het is zuur te constateren dat de landen die we de afgelopen jaren zo vaak ten voorbeeld hebben gesteld vanwege hun inspirerende kennisbeleid – Zweden, Denemarken, Finland en met name Duitsland – niet alleen sterker uit de financiële crisis van 2008 zijn gekomen, maar zich ook in de huidige eurocrisis wederom positief weten te onderscheiden.

Dames en heren politici, hoeveel bewijs verlangt u nog?

Dit stuk is gebaseerd op de Jaarrede die scheidend president Robbert Dijkgraaf vanmiddag uitsprak bij de Akademiemiddag 2012 van de KNAW. Dijkgraaf wordt in juli directeur van het Institute for Advanced Study in Princeton (VS).

    • Robbert Dijkgraaf