Durf eens nee te zeggen

Vorig voorjaar stond ik opeens in de werkplaats van een fietsenmaker in Bourg d’Oisans. Ik hoefde alleen Alpe d’Huez nog op, maar mijn racefiets toonde zijn grillige en onwillige karakter. De monteur herkende mij als winnaar van twee etappes in de Tour de France op die col, wat ik vreemd vond. Hij oogde zo jong dat hij toen nog niet verwekt kon zijn. Enfin, al snel kwamen we te spreken over Alpe d’HuZes, het grote geldinzamelingsevenement dat binnenkort zou plaatsvinden.

De jongen was zeer te spreken over de schare Nederlanders die hier elk jaar neerstreek ten behoeve van het goede doel. Zij waren zo netjes, zo wellevend. Gewoon keurig op hun beurt wachten, bijvoorbeeld, wanneer ze zich meldden met technische mankementjes of voor een laatste smeerbeurt. Heel wat beschaafder dan die opgefokte, half-competitieve meute die begin juli, daags voor de befaamde toertocht La Marmotte, zijn werkhonk bezet.

Dat was fijn om te horen.

In januari begint het meestal. De telefoon staat niet stil en de mailbox stroomt vol. Dit individu of dat team gaat deelnemen aan Alpe d’HuZes. Ben ik als ervaringsdeskundige bereid en gereed om in het kader van de geldinzameling een inspirerend en vooral nuttig praatje te komen houden? Het kan aan mijn gevoelige natuur liggen maar elke keer hoor ik in een soort ondertoon: durf eens nee te zeggen. Meestal zeg ik ja.

Wie kan er nou op tegen zijn dat met het gegenereerde geld onderzoek naar kanker wordt gefinancierd? Of dat er geld wordt gestoken in preventie, revalidatie, in geestelijke zorg?

Soms wordt me een reiskostenvergoeding aangeboden en heel soms daarbovenop een extraatje. Daar zeg ik dan geen nee tegen. Over de gehele linie bezorgen de charitatieve impulsen me een uurtarief dat ver beneden de nul euro ligt. Maar ik klaag niet.

Onvermijdelijk ben ik een deskundige geworden op het gebied van de onmacht. De mensen met wie ik spreek tijdens de nazit of naborrel blijken stuk voor stuk een onverdraaglijk kankergeval in hun directe omgeving te hebben (gehad). Dat heeft hen geïnspireerd. ‘Iets’ moeten ze tegenover de onrechtvaardigheid van de smerige ziekte stellen, niks doen is geen optie. En ironisch genoeg vinden ze in de stichting Alpe d’HuZes een warm bad.

Ik kan het me ook perfect voorstellen. Zes keer Alpe d’Huez op fietsen is een vorm van troost, van rouwverwerking. Van symbolisch mee-sterven ook. Het is een manier van sorry zeggen: sorry dat ik bijna niet meer leef en jij (binnenkort) helemaal niet meer. Onhandig, maar voorstelbaar.

Alpe d’HuZes is een beweging geworden. Een sekte. Gespeculeerd wordt vooral op de onbaatzuchtigheid van de deelnemers: je doet het niet voor jezelf, maar uitsluitend voor de ander die het minder goed getroffen heeft. Heb je een slecht moment op de berg? Nou, er is een heel regiment ongelukkigen dat zich nog veel slechter voelt dan jij terwijl ze aan de chemo hangen en bijna stikken. Voorwaarts dus.

Lourdes is er niks bij, qua gebed.

Alpe d’HuZes, het is een kunstmatige proeve van bekwaamheid. Alsof je alleen maar door zes keer die berg op te fietsen kunt bewijzen iets voor een ander over te hebben. Alsof je tekortschiet als je dat niet doet.

Ik ken stervenden die blij zijn dat er niet voor hen gefietst wordt. Sterven, dat doe je het liefst zonder tumult.

In het najaar van 2006 zat ik aan het bed van mijn twee jaar jongere zus in de hospice van Nijmegen. We keken uit over de Waal die, zoals Nescio het schreef, gewoon naar de eeuwigheid bleef stromen. De eerste aflevering van Alpe d’HuZes kwam ter sprake. Mijn zus zei: „Ach, iets is in gang gezet. Zoals sommige mensen geloven dat er ‘iets’ is. Maar uiteindelijk heeft het niet zo veel belang.”

Het was een paar weken voor haar dood.