De Bovenbazen (23)

Hij keek met een klein glimlachje naar de insecten die zich haastig tussen het gewas verspreidden om jacht op kevers te gaan maken. De omgeving scheen al spoedig weer verlaten, maar in de planten ritselde en knisperde het.

‘Daar is een mooie strijd gaande,’ mompelde Pee Pastinakel tevreden. ‘De bruine sluipers winnen het altijd; ze moeten alleen even de tijd hebben…’

‘Bruine sluipers!’ herhaalde heer Bommel vol afkeer. ‘Straks hebben we een spinnenplaag! Dan hangt Bommelstein vol webben en dan kan een heer geen wandeling meer maken zonder griezelige draden in zijn gezicht te krijgen. Nee, dit is ouderwets en onhygiënisch, als u begrijpt, wat ik bedoel. Ik heb wat beters.’

‘Iets beters is er niet,’ zei het ventje, maar heer Ollie had zich reeds met grote stappen huiswaarts begeven en luisterde niet meer.

‘Men moet het nu eens aan mij overlaten,’ sprak hij tot zichzelf. ‘Dit is de kans om te laten zien, hoeveel goeds een Bommel kan doen, die met ddt bekleed is.’

Met deze gedachte betrad hij zijn woning en spoedde zich naar het tafeltje waarop de telefoon stond.

‘Goede avond, heer Olivier,’ zei de bediende Joost, opschrikkend uit de lezing van de krant. ‘Er heerst een keverplaag in het gewas, met uw welnemen! Er dreigt een misoogst, zegt de Rommelbode. Verschoon mij dat ik even sta te kijken; maar dit is betreurenswaardig nieuws!’ ‘Onzin!’ riep heer Ollie uit. ‘Ik heb de zaak in handen. Laat me eens even bij het toestel Joost, ik moet orders geven!’