Bij Radu Lupu regeert bovenal de verstilling

Radu Lupu. 3/6 Concertgeb. A’dam. ***

In spel en fysiek voorkomen lijkt de Roemeense meesterpianist Radu Lupu (1945) haast een verschijning uit een andere wereld. Achteroverleunend op zijn stoel, het hoofd omhoog, geeft hij zich over aan waar hij beroemd om is: pianospel van oneindige verstilling. Daarom draaide ook zijn recital in het Concertgebouw, grotendeels gewijd aan Schubert.

Meteen in de eerste Impromptu opus 142 riep Lupu met lage tempi en uitgerekte fraseringen een serene atmosfeer op. Het Thema met variaties (Impromptu nr. 3) speelde hij niet dartel maar introvert. Zelfs de ludieke grillen in de Pianosonate in A (Scherzo) mochten de feeërieke stemming niet verstoren.

Schuberts weerbarstige kanten bleven daardoor vaak onderbelicht. Met een bijna onafgebroken pianissimo ontdeed Lupu koppige ritmes en volle akkoorden van hun intensiteit. Sporadische forte-erupties klonken luid, maar nooit fel of geagiteerd.

Lupu liet met zijn uniforme benadering ook de grenzen tussen componisten vervagen. Francks Prélude, Choral et Fugue kwam vredig tot klinken en de monumentale slotfuga, waarin de componist poogde de grenzen van zijn klavier te ontstijgen, bleef bescheiden van toon.

Als toegift had iets luchtigs of virtuoos wellicht voor een welkome afwisseling gezorgd. Maar Lupu koos ervoor zijn recital in dezelfde sfeer te besluiten als waarin hij het begonnen was: met het mijmerende Adagio uit de Pianosonate in c klein.

    • Bas van Bommel