Wij, schrijvers, moeten beeld en geluid durven gebruiken

Moderne schrijvers zijn op afroep grappig, treden op of schrijven scherpe columns. Maar nu er minder wordt gelezen, moeten ze juist eigenzinnig worden met boeken vol tekst, muziek en foto’s, stelt Daan Remmerts de Vries.

Ik heb me nooit willen bezighouden met rusteloze verschijnselen als Twitter, Facebook, iPads of e-readers. Ik heb altijd geweigerd een mobiele telefoon aan te schaffen, en ik heb altijd gedacht: het zal mijn dagen wel duren.

Maar nu bekruipt me steeds meer het gevoel dat de tijd me aan het inhalen is, en dat ik straks niet meer die leuke, excentrieke, eigenheimerige kunstenaar zal zijn – maar slechts een door iedereen uit het oog verloren zonderling.

Al meer dan twintig jaar maak ik boeken. Ik kan daar tot nog toe aardig van leven, al merk ik met name de afgelopen maanden dat dit lastiger aan het worden is. Mijn boeken zijn over het algemeen alweer na zo’n vier maanden uit de winkel verdwenen en soms heb je dan ook wel het gevoel tegen de klippen op te moeten werken.

Van schrijvers-schuine-streep-illustratoren wordt bovendien, zo heb ik ondervonden, verwacht dat ze geestige en onderhoudende voordrachten kunnen houden, dat ze een steekhoudende mening hebben over stromingen in de maatschappij en dat ze ook nog een column of toepasbare tekening uit hun mouw kunnen schudden als daarom wordt gevraagd. Als je deze dingen als schrijver of illustrator niet kan, moet je er een baan bij hebben, of een echtgenoot of echtgenote die glimlachend en zonder morren ook een hoop verdient.

Gelukkig voor mij, ik héb die glimlachende partner en bovendien een mening over van alles, en ik wil best naar Hoogezand-Opperdoes reizen om zeven uur ’s ochtends om daar te staan voorlezen uit eigen werk. Dus kan ik er van bestaan, en dat is mooi.

De vraag die ik me – nu ik de vijftig heb gehaald – steeds vaker stel is: zal dit zo blijven doorgaan?

Vanzelfsprekend zoek ik in beginsel, voortkomend uit een natuurlijk verlangen en uit angst, naar mensen die met mij instemmen. Zo sprak ik laatst een boekhandelaar die oprecht hoopvol gestemd was. Zijn zaak liep uitstekend. Het waren toch vooral de grote ketens, zei hij, die zo negatief en somber waren de hele tijd. Dat kwam door de gehaaide managers die ze zelf in dienst hadden genomen – mensen zonder enige liefde voor het vak – en die hadden bepaald dat de winst moest groeien en nog eens groeien. Maar hij – die boekhandelaar – deed daar niet aan mee! Zijn boekhandel mocht precies zo blijven als hij was.

Dat concept om de hele tijd maar te willen groeien, inderdaad, dáár moeten we vanaf – en, zo heb ik intussen ook begrepen, daar zíjn we al vanaf.

Ik ben zelf daarom ook erg voor een terugkeer naar het middeleeuwse model: je nam in die tijden de zaak van je vader over en dat was, hopelijk, een bron van voldoende inkomsten. Er hoefde niet te worden uitgebreid, er hoefde geen vijfjarenplannen te worden gerealiseerd; je herberg of leerlooierij mocht precies blijven zoals die was, en zolang de builenpest niet uitbrak of de Hunnen niet binnenvielen was men daar best tevreden mee.

Lezen de mensen, en met name de kinderen, steeds minder? Dat zou wel eens kunnen. Soms tref ik iemand die zegt ‘veel te lezen’. Bij navraag blijkt dat dan voornamelijk tijdschriften te betreffen. Of de boeken die iedereen leest, en ik dus liever niet. Of blogs. Of berichten op websites.

Men leest dus, dat is mij duidelijk, steeds kortere stukken tekst. In deze vluchtige tijden – en dat zijn het zeker – moeten teksten kort en pakkend zijn. En daarbij zijn ze de volgende dag alweer vergeten, omdat ze onder de voet zijn gelopen door nóg kortere, en nóg pakkender oneliners.

Men houdt bovendien van wat men kent. Alleen schijnt men steeds minder te kennen. De keuzes lijken zich steeds meer te vernauwen. Dat is vreemd, want je zou zeggen dat men dankzij internet, dankzij die reusachtige modderlawines van informatie, toch steeds méér zou moeten leren kennen.

Het tegendeel lijkt waar te zijn. De boekenverkoop is inmiddels gezakt naar het niveau van zes jaar geleden. Eigenlijk is dat zo gek nog niet. Eigenlijk worden er dus nog steeds heel veel boeken verkocht, en die opgewekte boekhandelaar aan het begin van mijn verhaal had dus niet helemaal ongelijk.

Maar men is angstig. En men neemt over het algemeen aan dat dit niveau nog verder zal gaan inzakken. Uitgevers dikken in, mensen worden ontslagen. Dat middeleeuwse model is dus niet alleen al aan de orde, maar er dreigen nu zelfs bedrijven te verdwijnen.

Feitelijk staan we dus voor een vreemde splitsing – in onszelf. We houden allemaal van boeken en tegelijkertijd worden we steeds meer gedwongen om ons bezig te houden met andere dingen dan boeken, om aldus nog iets van de boeken die we willen maken te bewaren voor de toekomst.

Wij, de schrijvers en ook zeker de uitgevers, aarzelen nog teveel. Dat is tenminste wat ik hier, in Nederland, om me heen ervaar. We hebben zeker de nodige eerste stappen gezet, maar we zullen nog veel verder moeten gaan. Want het zijn de uitgevers die ervoor moeten gaan zorgen dat wij, de schrijvers, zichtbaar worden in de digitale wereld. Het zijn tenslotte toch die uitgevers die al het basismateriaal – de verhalen waar het nog steeds om draait – tot hun beschikking hebben.

Wij, de schrijvers en de uitgevers, hebben de ruwe diamanten in handen. De gedachten. De basis waar alles op steunt.

Maar willen we er wat van maken, dan zal dit drastischer moeten worden aangepakt. Gekker, onbevangener, eigener – kinderlijker, als u wilt. Of, om het poëtischer te stellen: we moeten ons meer naar binnen gaan richten dan naar buiten.

Het lijkt een contradictie, maar zo zal er, denk ik, uiteindelijk weer wat wat rust kunnen komen in onze oververhitte werkdagen. Wij, de schrijvers, hebben rust nodig. En die rust zullen we alleen verkrijgen als we wat minder trachten om mee te doen.

En nogmaals, dit lijkt een tegenspraak in zich: we zullen wat minder moeten trachten om achter eventuele trends aan te hollen en moeten juist gaan proberen om nieuwe trends te gaan maken. En laten wij daarmee dan maar zonderlingen worden. Dat zal zo slecht niet zijn.

Want wij, de schrijvers én de uitgevers, moeten niet weten wat er speelt – men moet weten wat er in ons speelt. Het gaat om ons, denk ik. Wij zijn, als schrijvers, als het goed is in staat om onbetreden wegen in te slaan; om nieuwe gedachten te verkennen en uit te werken. Wij zijn het aanbod dat de vraag zou moeten scheppen.

En wij moeten niet de maatschappij kennen – de maatschappij moet ons leren kennen. Die omkering is de crux van mijn verhaal, denk ik.

Ik zal door blijven schrijven. Wat moet ik anders met mijn dagen? Daarbij maak ik al tijdenlang muziek en maak ik films en maak ik schilderijen. Al jarenlang speel ik met de gedachte om al die uitingen ineen te voegen tot iets volkomen nieuws, tot een totaalwerkstuk. Iets eigenzinnigs dat er nog niet is. Ik heb iets dergelijks al enkele malen voorgesteld bij een uitgever – maar heb tot nog toe telkens bot gevangen. Men heeft het kortom nog niet aangedurfd om daar iets mee te doen.

Díe angst moet veranderen in durf. Daarin moet worden geïnvesteerd. Want er zijn zoveel nieuwe media die nu tot onze beschikking staan.

Ik zie hier boeken voor me met eindeloze links naar de onderwerpen waar ze over gaan. Met stukken achtergrondgeluid of met de muziek die op dat moment van toepassing is. Je zou, als je op bepaalde woorden klikt, series foto’s kunnen tonen. En die foto’s zouden weer een deel kunnen zijn van het verhaal wat op dat moment verteld wordt. Eerlijk gezegd, na al het geklaag over deze vluchtige tijd: het lijkt me enig om dat soort dingen te gaan uitproberen.

En ik twijfel er niet aan of daar komt, na het nodige geëxperimenteer, na het nodige vallen en opstaan, ook iets revolutionairs uit. Iets verkoopbaars bovendien.

Hoe dan ook, ik ben er van overtuigd dat we zullen kunnen blijven scheppen. En anders beginnen we gewoon een vrolijk amusementsbedrijf. Want getraind in het vermaak zijn we inmiddels zeker.

Daan Remmerts de Vries is illustrator en schrijver. Hij won in 2010 de Gouden Griffel. Dit artikel werd opgebouwd uit de 13de Annie MG Schmidtlezing, vorige week uitgesproken en georganiseerd door de Nederlandse Taalunie en de Nederlandse afdeling van de internationale kinderboekenorganisatie IBBY. De hele lezing komt in het tijdschrift Literatuur zonder leeftijd.

    • Daan Remmerts de Vries