Stimulering van de economie lijkt niet te werken

De slechte Amerikaanse werkloosheidscijfers over de maand mei zijn een proef op de som voor concurrerende economische theorieën. Nu de groei van de werkgelegenheid en het bruto binnenlands product (bbp) beneden het gemiddelde liggen, verliezen de Keynesiaanse en andere monetaire stimuleringstheorieën hun geloofwaardigheid. Op dit moment is de winnaar de these van Carmen Reinhart en Kenneth Rogoff dat té veel schulden de groei dwarsbomen.

De afgelopen maand kwamen er in de Amerikaanse economie slechts 69.000 banen bij, aldus het werkgelegenheidsrapport dat vrijdag bekend werd. Dit nieuws werd nog verslechterd door de neerwaartse herzieningen van de cijfers voor maart en april. De drie meest recente maanden volgden op drie betere maanden in de winter, maar het gemiddelde over het afgelopen jaar van 174.000 nieuwe banen per maand is een teleurstellende trend, na een diepe recessie. De jongste schatting van een bbp-groei van 1,9 procent in het eerste kwartaal was ook minder dan aanvankelijk werd verwacht.

Vier jaar na het begin van de crisis van 2008 kan een balans worden opgemaakt van de implicaties van dit alles voor de economische theorie. Het budgettair en monetair beleid in de Verenigde Staten – en voor een groot deel in de hele wereld – is zo stimulerend mogelijk geweest. Maar alleen al voor Washington heeft het ook biljoenen dollars aan extra tekorten en schulden opgeleverd, naast vier jaar met een rente van bijna nul. Toch duidt de aanhoudende traagheid van het herstel erop dat de impulsen die worden bepleit door de aanhangers van Keynes, en de monetaire generositeit van voorzitter Ben Bernanke van de Federal Reserve (het federale stelsel van Amerikaanse centrale banken), geen betrouwbaar antwoord vertegenwoordigen, althans niet in de huidige omstandigheden.

Daartegenover staat de zogenoemde ‘Oostenrijkse school’, die erop wijst dat de onverantwoordelijke beleggingen op de huizenmarkt in de jaren vóór de crisis éérst moeten worden afgewikkeld. Daardoor ontstaat er jarenlang een neerwaartse druk op de productie. Deze theorie heeft aan geloofwaardigheid gewonnen – maar de politieke implicaties ervan zorgen ervoor dat een hierop gebaseerde aanpak moeilijk te verwezenlijken is.

Economische theorieën zijn op hun best natuurlijk ook alleen maar versimpelingen van een ingewikkelde werkelijkheid. Maar zij kunnen wél dienen als richtsnoer voor het beleid, op een behulpzame dan wel contraproductieve manier. Nu de crisis feitelijk al vier jaar duurt, nemen de aanwijzingen toe dat nóg meer ‘kwantitatieve versoepeling’ – of ander beleid waardoor de markt wordt overspoeld met 'goedkoop geld' – zeer discutabel zou zijn.

De ideeën die naar voren worden gebracht in het boek This Time is Different van Carmen Reinhart en Kenneth Rogoff uit 2009 zijn tegen deze achtergrond bijzonder opmerkelijk. De twee economen stellen dat buitensporige schulden structurele schade veroorzaken en leiden tot een langdurige periode van trage groei en hoge werkloosheid. Als dit een correcte beschrijving is van wat er nu gebeurt, zou het afbouwen van de schuldposities – in plaats van het stimuleren van nog meer leningen met behulp van een ultra-lage rente – prioriteit moeten hebben.

Martin Hutchinson

vertaling Menno Grootveld