Ophef over 'kill list' komt Obama niet slecht uit

Als een Amerikaanse krant in een verkiezingsjaar voor één artikel kan spreken met tientallen medewerkers en oud-medewerkers van de president, dan kan je er vanuit gaan dat het Witte Huis denkt dat het stuk goed zal uitpakken in de campagne. Anders beginnen ze er niet aan.

Zouden Obama en zijn mensen tevreden zijn geweest met het veelbesproken stuk van The New York Times, vorige week, waaruit bleek dat de president hoogstpersoonlijk beslist welke terreurverdachten in verre landen uit de weg geruimd moeten worden? Vermoedelijk wel.

Obama kwam er uit naar voren als „een president die zich volkomen op zijn gemak voelt bij de inzet van geweld namens de VS”, zoals Nationale Veiligheidsadviseur Thomas Donilon het uitdrukte. Dat is een imago waarmee je bij de Amerikaanse kiezer kan aankomen.

Het stuk was een huiveringwekkende reconstructie van de manier waarop de Amerikaanse regering de zogeheten ‘kill list’ samenstelt. Dat is een steeds opnieuw aangevulde lijst met terreurverdachten in landen als Pakistan en Jemen, die ‘genomineerd’ worden voor liquidatie door onbemande vliegtuigjes.

Het definitieve besluit tot een aanval op een persoon (‘personality strike’) of groep (‘crowd kill’) neemt de president zelf. Als kenner van wat Augustinus en Thomas van Aquino over oorlog hebben geschreven, aldus de krant, vindt Obama dat hij persoonlijk verantwoordelijkheid moet nemen voor zulke acties.

Het is natuurlijk mooi dat hij bij zulke grote denkers te rade gaat. Maar verantwoordelijk is hij hoe dan ook, of hij zich nu met individuele gevallen bemoeit of niet. Want het is zíjn beleid.

Het is ook mooi, als het klopt, dat hij rustig en koel blijft in moeilijke situaties. Aan een president die tobbend en handenwringend moeilijke besluiten uit de weg gaat, heeft niemand wat.

Minder mooi is dat deze praktijk de toch al ontzagwekkend grote macht van de Amerikaanse president, iedere Amerikaanse president, nog verder uitbreidt. Al sinds de beginjaren van de Verenigde Staten is de vraag hoeveel macht de president hoort te hebben een omstreden kwestie. Maar ondanks de ‘checks and balances’ in het Amerikaanse politieke systeem is de macht van de president gestaag gegroeid, met als mijlpaal de atoombom.

In zijn nadagen als vicepresident zette Dick Cheney, die er altijd al een voorstander van was veel macht bij de president te concentreren, dat helder uiteen: Overal waar de president heen gaat wordt hij 24 uur per dag gevolgd door een adjudant die de ‘football’ bij zich heeft met de nucleaire codes – die hij kan gebruiken in het geval van een kernaanval op de Verenigde Staten. „Hij kan de meest vernietigende aanval ontketenen die de wereld ooit heeft gezien. Hij hoeft het met niemand af te stemmen. Hij hoeft niet te bellen met het Congres. Hij heeft geen toestemming nodig van rechtbanken.”

Dat is in zijn apocalyptische gevolgen van een heel andere orde van grootte dan de individuele uitschakeling van vermeende terroristen. Maar een atoomaanval is na 1945 niet meer voorgekomen, terwijl Obama in zijn oorlog tegen terroristen met grote regelmaat doodvonnissen velt en laat uitvoeren – zonder enige vorm van proces, zonder openbare toetsing van zijn criteria, alles in het geheim. Naast de nucleaire vernietigingsmacht eigent de Amerikaanse president zich zo ook de macht toe om aan de andere kant van de aardbol individuele levens te beëindigen.

Obama lijkt overtuigd van zijn eigen integriteit. En misschien zijn veel Amerikanen en andere wereldburgers dat ook wel. Maar dat is niet genoeg. Het is nooit goed als één iemand buiten de openbaarheid de macht heeft over leven of dood, als één iemand tegelijk aanklager, rechter en beul is – en al helemaal als dat dan ook nog een politicus is, die bij al zijn afwegingen altijd met één oog zal kijken naar zijn kansen op herverkiezing.

    • Juurd Eijsvoogel