De diplomaat die gewoon vertelde wat hij zag

Peter Henk Steenhuis De rode ambassadeur. De twintigste eeuw door de ogen van Coen Stork. Ath.-Polak& Van Gennep, 240 blz. € 18,-

Ongekend: een ambassadeur die gewoon vertelt wat er aan de hand was. Diplomaten communiceerden eind jaren tachtig met overheden en met elkaar. Ambassadeurs waren er niet voor de media. En zeker niet in het openbaar.

Tot daar plotseling, middenin de Roemeense revolutie, Coen Stork verscheen, een keurige telg van machinefabrikanten uit Hengelo.

Het liep tegen Kerst in het revolutiejaar 1989. In Polen, Hongarije, de DDR en Tsjechoslowakije hadden de communisten al de aftocht geblazen. Ook het onwrikbare regime van Nicolae Ceausescu begon te wankelen.

Stork zat alleen op de ambassade. De andere diplomaten waren met verlof. Het volk stond op straat, en Stork vertelde wat hij zag. Niet alleen aan Den Haag, maar aan alle Nederlanders die het wilden horen.

Dat nam de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken, Hans van den Broek, hem niet in dank af, vertelt Stork in zijn boek De rode ambassadeur: „Maar wat had ik anders moeten doen, al die telefoontjes onbeantwoord laten? Er was niemand anders in Roemenië om nieuws te verstrekken.” Peter Henk Steenhuis heeft het verhaal van Stork opgeschreven, maar gebruikt toch de ik-vorm.

Stork vertelt dat hij min of meer bij toeval in het diplomatenklasje terecht was gekomen. Hij weigert de mores van het diplomatencorps waar de adel dan nog de dienst uitmaakt, over te nemen. In Zuid-Afrika legt hij, als jonge diplomaat, zijn eigen contacten en woont hij processen bij tegen anti-apartheidsactivisten, waaronder het Rivoniaproces (1964) tegen Nelson Mandela. In Madrid ruziet hij met zijn ambassadeur die het Franco regime nog niet zo gek vindt. En in Cuba, zijn eerste ambassadeurspost, probeert hij de Cubanen uit hun ‘existentieel isolement’ te halen door de deuren open te zetten voor schilders, schrijvers, dansers en journalisten.

Het komt hem op kritiek te staan vanuit Den Haag waar men vindt dat een diplomaat uitsluitend het ‘Nederlands Belang’ moet dienen en het levert hem de bijnaam ‘de rode ambassadeur’ op. Ook minder conservatieve kringen in Nederland hebben kritiek. Stork haalt een brief aan van zijn vriend en toenmalig NRC-hoofdredacteur André Spoor. ‘Wat Peter (van Walsum, ook diplomaat, red.) zo onverstandig vindt is dat je je zo laat leiden door je irritatie over het ministerie tegenover Cuba dat je ook gerechtvaardigde kritiek niet au serieux lijkt te willen nemen.’ Ruim dertig jaar later geeft Stork in zijn boek toe dat hij de Cubaanse revolutie misschien te veel ophemelde.

De ondertitel De twintigste eeuw door de ogen van Coen Stork, wordt niet helemaal waargemaakt. Een groot deel van die eeuw trekt onopgemerkt voorbij. In de oorlog was Stork middelbare scholier, maar over de invloed van die vormende jaren op zijn leven als soms rebelse diplomaat zwijgt het boek helaas.