De Bovenbazen (22)

De kleine landbouwer schudde niet-begrijpend het hoofd en begon langs een kaalgevreten veldje te lopen.

‘Wat is deedeetee?’ vroeg hij wantrouwend.

‘Aha!’ riep heer Bommel uit. ‘Dat is het middel om insecten te verdelgen! Kakkerlakken en kevers en muggen en spinnen en alles! Het helpt onmiddellijk; u zult eens wat zien! Even spuiten – en klaar!’

‘Dat kan niet,’ hernam het ventje afkeurend. ‘Spinnen en muggen kunnen niet samen klaargespoten worden.’

‘Het kan wel,’ hernam heer Bommel, een weinig ontstemd. ‘Ik zal u bewijzen dat ik dit weitje in een ogenblik kan reinigen van ongedierte.’

‘Nee,’ zei de ander koppig. ‘Dat kan niet mogen. De enige manier om de gele nerfknager te bestrijden heb ik hier. Kijkt u maar.’ Zo sprekende hield hij halt bij een laag bouwseltje en maakte een deur open. Heer Ollie boog zich nieuwsgierig voorover, doch op hetzelfde moment sprong hij achteruit.

‘Ah bah!’ riep hij vol walging. ‘Spinnenkoppen! Grote vieze spinnen! Kweekt u die soms, heer Pastinakel?’

‘Ja,’ zei het mannetje vol trots. ‘Dit zijn bruine sluipers. Ik heb ze net op tijd uit kunnen broeden, want ze zullen een eind aan de nerfknagerplaag maken voordat die te erg wordt. Deze sluipers zijn de grootste vijanden van de gele bladeters, begrijpt u?’

    • Marten Toonder