Alain Platel kannibaliseert de muzikale schoonheid

Nederland, Amsterdam, 03-06-2012. Voorstelling C(h)oeurs van regisseur Alain Platel in Carre op het Holland Festival in Amsterdam. Foto: Olivier Middendorp

C(h)oeurs v s C(h)oeurs

Het Holland Festival is geopend met ‘C(h)oeurs’. Theatermaker Alain Platel combineert theater, dans en opera. Theatercriticus Herien Wensink vindt het prachtig. Muziekcriticus Mischa Spel heeft zo haar bedenkingen.

Zeg eens, weet u wie u bent? Waarvoor u staat?

Het antwoord mag best ja zijn. Maar dat maakt C(h)oeurs wel meteen minder aansprekend.

Alain Platel gaat uit van de vraag naar rol en betekenis van het individu binnen de massa. „Ik ben niets”, fluistert een vrouw ontredderd, helemaal aan het begin van de voorstelling (citaat van Marguerite Duras). En dan – bam! – zet het Dies Irae uit Verdi’s Requiem in.

Overdonderender koormuziek werd nooit geschreven (nou, vooruit het Dies Irae uit het Requiem van Mozart misschien, of, voor wie ervan houdt, de Carmina Burana van Orff). Platel maakt er slim gebruik van. Zijn zinnenprikkelende voorstelling C(h)oeurs drijft op de toverkracht van de muziek: een serie bedwelmende en/of opruiende koren van Wagner en Verdi. De dans is fraai, virtuoos en eigenzinnig. Maar voegen dans en muziek iets aan elkaar toe? Wordt één plus één drie ? Is er synergie?

Platel wil de gevaarlijke schoonheid van de koren van Verdi en Wagner ter discussie stellen. Dat is een lovenswaardig streven, zeker in deze tijd van opkomend nationalisme, de Arabische Lente, de Occupy-beweging. Verdi en Wagner waren allebei van grote betekenis voor het nationaal gevoel van hun vaderlanden in wording en inderdaad: Verdi kan opjutten, voetbalstadions hossen nog altijd op de Triomfmars uit Aida. En Wagners oneindige melodieën kunnen, als je niet uitkijkt, ook echt fysiek bedwelmen. Chaotische degeneratie noemde Nietzsche dat. Ook Thomas Mann onderwierp zijn Wagner-liefde aan kritisch zelfonderzoek, omdat hij er gevaar in rook.

Platel stipt die problematiek slechts aan. Het is alsof je een voorstelling over zinloos geweld maakt en dat geweld toont maar verder laat liggen. Zie! Dit is een probleem! Goed. Maar dan?

Tegelijkertijd suggereert Platel, met teksten als „Ik spreek over simplisme. Simplisme is fascisme”, wel degelijk te willen graven naar de wortels van het kwaad. Dat stoort. Want is het aanvoeren van muzikale schoonheid als bewijslast van eigen schuld niet juist dat: een beetje simplistisch?

De keuze voor Verdi en Wagner was oorspronkelijk niet van Platel maar van Gerard Mortier, artistiek leider van het Teatro Real waar C(h)oeurs eerder dit jaar de tumultueuze première beleefde. En dat voel je. Platels beeldentaal is zwanger van symbolen. En hij schuwt de clichés van het muziektheater niet – applaus van artiesten voor het publiek, schijnwerpers op de zaal, koor duikt (surprise!) op in de zaal. Maar die geplaagde menigte, de kinderen die als slappe lijkjes worden weggedragen, de in stille schreeuw gesperde monden van de dansers – die moeten tegelijkertijd wel degelijk iets wezenlijks aanroeren. Ze zeggen: het gaat niet goed met de wereld. En: liefde kan de mensheid redden.

Het koor koor vormt groepen op basis van eigenschappen („Willen degenen die verliefd zijn bij elkaar gaan staan?” Of: „Wie hebben er wel eens een hart gebroken?”). Die scène is theatraal sterk en bevrijdend geestig. Maar Platels beelden en de koren die de ruggengraat vormen van zijn C(h)oeurs staan te zeer los van elkaar. Zo profiteert hij met zijn esthetiek van muzikale schoonheid, terwijl hij de verontrustende vulkaankracht van de muziek juist ter discussie wilde stellen.

    • Mischa Spel