Zij : ‘Wie gaat er nou in een tent liggen?’

Wiek: „Je went snel aan comfort. Het is heel betrekkelijk. Maar het betekent voor mij dat ik kan kopen wat ik wil hebben.”

Angelique: „Dat we naar de Plus kunnen en niet naar de Aldi hoeven.”

Wiek: „We willen kwaliteit van eten en drinken. Niet naar de frietkraam, maar naar een restaurant.

Angelique: „Toen ik in de mode werkte, maakte ik mijn hele salaris op aan kleding. Nu draag ik een uniform op mijn werk, en dat vind ik heerlijk. Ook al klopt mijn hart nog steeds als ik in een modezaak kom, ik hoef niet meer alles te hebben.”

Wiek: „Het maakt me niets uit dat Angelique graag geld aan mode besteedt. Ik vertrouw haar blindelings.”

Angelique: „Wij hebben daar nooit een conflict over gehad. Ik ken de grens ook wel. Ik vind dat ik het verdien. Ik voel me beter als ik er goed uitzie.”

Wiek: „Voor mij is verzorging ook belangrijk.”

Angelique: „Doordat we al zolang samen zijn, hebben we dezelfde interesses. We hebben nooit onenigheid over geld. Ik ben opgevoed met: eerst werken, dan pas geld uitgeven. Zo voeden we onze zoon ook op: hij brengt kranten rond en werkt bij een tuinder. Hij moet zich ervan bewust zijn dat wij het ook niet voor niks krijgen.”

Wiek: „Dat geldt ook voor de aanschaf van kunst. We sparen daarvoor en kopen het niet als we het niet kunnen betalen.”

Angelique: „Een of twee keer per jaar kopen we iets.”

Wiek: „Kunst gaat bij ons voor vakantie. Want van kunst hebben we langer plezier.”

Angelique: „Maar áls we op vakantie gaan, willen we in een luxe hotel zitten. Ik snap niet dat je op vakantie in een tent gaat liggen als je het thuis goed hebt.”

Wiek: „Dan ga ik liever een week korter.”