We lijken best wel op die Duitsers

Tijdens het vorige EK bracht ik een avond door met Arsène Wenger. De Arsenal-trainer trad in het Zwitserse Basel op voor sponsors, en ik was gespreksleider. Soms zaten we een tijdje achter de coulissen te wachten, waarbij hij tot mijn verrassing hilarische voetbalverhalen vertelde. Zo kreeg ik de kans hem de vraag te stellen waar ik al jaren mee rondliep: ‘Meneer Wenger, was u in de jaren zeventig erg beïnvloed door het Nederlandse voetbal?’

„Ja!” zei Wenger. „Door het Nederlandse voetbal – en door het Duitse voetbal.” Even stond ik versteld: Nederlands en Duits voetbal waren toch tegenpolen? Wij mooi, zij lelijk. En toen beleefde ik wat Duitsers een Aha-erlebnis noemen: ook in het voetbal, begreep ik plotseling, lijken Nederlanders en Duitsers best op elkaar. Er zijn dan wel verschillen, maar het denkvoetbal met bewegende spelers van de West-Duitsers in 1974 was niet zo heel anders dan ons totaalvoetbal. Nederlanders en Duitsers zijn elkaars broers. En in aanloop naar de volgende aflevering van Nederland-Duitsland (op 13 juni) beginnen we dat allemaal te beseffen.

Vooroorlogse Nederlanders vonden die broederschap vanzelfsprekend. Nederland was in de Eerste Wereldoorlog neutraal gebleven, veel Hollanders werkten nadien in Duitsland, en Nederlandse kranten citeerden soms Goethe of Schiller in het Duits, zoals ze er nu van uitgaan dat hun lezers Engels kennen. De schrijver Antoon Coolen beschreef een scène uit de Duitse invasie van Nederland in 1940: ‘Een aantal vrouwen is buiten haar huizen gekomen met schalen waarop koffie dampt, zij gaan er mee naar de Duitsers die hun kaarten opvouwen en lachen’. Die vrouwen waren geen nazi’s. Ze voelden alleen een vanzelfsprekende sympathie voor Duitsers.

Zelfs de oorlog deed de Duits-Nederlandse banden niet geheel afbrokkelen. In 1974 konden de langharige Duitse en Nederlandse voetballers nog best met elkaar opschieten. Na de finale mochten ze op het veld niet van shirt ruilen, en dus ruilden Paul Breitner en Johnny Rep later op het formele banket van colbert en stropdas. In zijn boek 1974: Wij waren de besten heeft Auke Kok het in 365 bladzijden amper over de oorlog. De enige Nederlandse speler die hierover voor de WK-finale lijkt te zijn begonnen was Willem van Hanegem, die een aantal familieleden bij een (geallieerd) bombardement op Breskens had verloren. De meeste Nederlanders praatten in de jaren zeventig nog niet veel over de oorlog, en in de skidorpen kropen zij en de Duitsers ’s avonds nog gezellig bij elkaar. Als kind in Nederland keek ik toen (net als Wenger in de Elzas) elke zaterdagmiddag Die Sportschau op de Duitse tv. Nederland was nog een soort provincie van Duitsland.

Achteraf gezien duurde de Nederlandse antipathie voor Duitsers slechts zo’n vijftien jaar: van de vroege jaren tachtig tot de late jaren negentig, met als piek het nationaal straatfeest na de Nederlandse overwinning op West-Duitsland op 21 juni 1988. Die antipathie had met van alles te maken. In de jaren tachtig was de oorlogsmythe van ‘goede Nederlanders’ tegen ‘foute Duitsers’ op zijn sterkst. Het was ook de tijd dat Duitse voetballers vaak ‘lelijk wonnen’, en dat de Duitse economie de Nederlandse achter zich liet. In 1990 werd Duitsland ook nog eens plotseling veel groter. In alles was Duitsland toen een angstaanjagende buur.

Maar na 1990 maakte Nederland de economische inhaalslag, won Duitsland nog maar één armzalig EK’tje, en bleek het nieuwe verenigde Duitsland te bang voor zichzelf om zelfs maar een normaal buitenlands beleid te voeren. De Nederlandse angst voor Duitsers verdween. We begonnen zelfs medelijden met ze te krijgen.

Inmiddels proberen de Duitsers als Nederlanders te voetballen (terwijl wij nu vaak lelijk winnen). In Europees verband hakken onze leiders gezamenlijk in op de luie armlastige zuiderlingen. In Charkov is voetbal straks helemaal geen oorlog meer. Het is liefde geworden.

Simon Kuper is journalist van The Financial Times en medewerker van onder andere NRC Handelsblad en Hard Gras. Hij schreef meerdere boeken over voetbal, waaronder Dure spitsen scoren niet (2009, Nieuw Amsterdam). Kuper schrijft gedurende het EK wekelijks een column in NRC.

    • Simon Kuper