Warrige biografie van een groot astronoom

Oort - Melkwegonderzoeker en grondlegger van de radioastronomie Jan van Evert; Uitgeverij Veen, Diemen; 159 pagina’s, prijs €34,50

In 1944 zit de Nederlandse astronoom Jan Hendrik Oort ondergedoken in het oosten van Nederland. Via het verrassenderwijs nog goed functionerende astronomennetwerk krijgt hij te horen dat een Amerikaanse ingenieur radiostraling heeft gedetecteerd, die afkomstig is uit de Melkweg.

Hij vraagt de Utrechtse sterrenkundestudent H.C. van de Hulst om uit te rekenen of daar wellicht ook radiogolven tussen zouden kunnen zitten met een frequentie die karakteristiek is voor bijvoorbeeld waterstof, het meest voorkomende element in het heelal. Die straling zou een nieuw waarnemingsgebied in de sterrenkunde openen en het bijvoorbeeld mogelijk maken om de structuur van ons eigen Melkwegstelsel in beeld te brengen. Van de Hulst slaat aan het rekenen en brengt tijdens een clandestien colloquium verslag uit: waterstof zou inderdaad straling uit moeten zenden bij een golflengte van 21 centimeter. De radioastronomie is geboren.

Na de Tweede Wereldoorlog zet Oort zich in om in Nederland een sterrewacht voor radioastronomie van de grond te krijgen. Dat lukt hem, door universiteiten, industrie en regering op uiterst beminnelijke, maar volhardende wijze met elkaar te laten samenwerken. Met telescopen in het Drentse Dwingelo, en later in Westerbork groeit Nederland uit tot een belangrijk centrum voor radioastronomie.

De in 1992 overleden Jan Hendrik Oort geldt als een van de grootste astronomen die ons land gekend heeft. Al op jonge leeftijd onderscheidt hij zich door op basis van waarnemingen aan de bewegingen van sterren aan te tonen dat onze Melkweg roteert.

Het maakt hem op slag tot een wereldberoemd sterrenkundige. Hij wordt al snel hoogleraar en later ook directeur van de Leidse Sterrewacht. Daarnaast zet hij zijn diplomatieke gaven in voor de ontwikkeling van de mondiale astronomie – onder meer als drijvende kracht achter de bouw van een Europese optische telescoop in Chili – en in tal van internationale bestuursfuncties. Zolang het maar over sterrenkunde gaat, want een verzoek om rector magnificus te worden in Leiden wijst hij beleefd, doch dringend af. Opvallend is dat hij daarnaast onderzoek blijft doen van hoog niveau: zo ontdekt hij onder meer de kraamkamer van de kometen, de naar hem genoemde Oortwolk.

Het valt toe te juichen dat Uitgeverij Veen in haar serie Wetenschappelijke Biografieën al enige tijd ruimte vrij maakt voor Nederlandse wetenschappers, en Oort verdient zeker een plaats in deze mooie reeks. Jammer is alleen dat met wat meer moeite en aandacht dit een nog mooier boek had kunnen worden. Wat node gemist wordt, zijn bijvoorbeeld een paar simpele diagrammen waarmee de vele beschouwingen over astronomische coördinaten veel duidelijker zouden zijn geweest. Ook de indeling van het boek is uiterst warrig. De aanvankelijk chronologische opbouw wordt na tweederde deel verlaten, waarna een paar losse, thematische hoofdstukken volgen. Een hoofdstuk over Oort als organisator is tenslotte grotendeels gewijd aan zijn hobby’s en activiteiten buiten de sterrenkunde.

Maar goed, het is sowieso onmogelijk om in 159 pagina’s volledig recht te doen aan de man die in een in memoriam van Nobelprijswinnaaar Chandrasekhar ‘de grote eik van de astronomie’ werd genoemd ‘zonder wiens schaduw we zouden zijn verdwaald’.