Voormalige ‘lieveling’ euro: één munt om allen te regeren

De euro leek in 1999 dé oplossing voor het gehavende Europese valutasysteem. Inmiddels ligt de munt onder vuur. Het uur van de waarheid komt snel dichterbij.

Illustratie Roel Venderbosch

Eén Europa, zonder zwevende wisselkoersen? Voor de oprichters van de Europese Economische Gemeenschap (EEG) was dat een vanzelfsprekendheid. Niet dat ze daar zelf aan hadden gewerkt aan de vooravond van het Verdrag van Rome van 1957. Dat was niet nodig. De wereld van destijds was er al een van vaste wisselkoersen. Voor Europa was dat niet anders.

In 1944, met de geallieerde overwinning in de Tweede Wereldoorlog in zicht, waren de Westerse landen al overeen gekomen hoe het internationale financiële systeem eruit moest zien. Tijdens een conferentie in het Amerikaanse plaatsje Bretton Woods werd afgesproken dat de Amerikaanse dollar voortaan de spil zou worden van een nieuw internationaal valutasysteem. De munten van alle andere landen kregen een vaste koers tegenover de dollar. En dollars, zo beloofde Amerika, werden gedekt door goud.

Mochten landen last krijgen van die vaste wisselkoers en een probleem krijgen met hun betalingsbalans met andere landen, dan was daar het voor dat doel opgerichte Internationaal Monetair Fonds. Dat zorgde voor een overbruggingslening, op voorwaarde van hervormingen die het land weer in de juiste richting duwden. De- of revaluaties – een officiële bijstelling van de vaste wisselkoers ten opzichte van de dollar naar beneden of naar boven – waren bij uitzondering toegestaan.

Bretton Woods was niet alleen een prachtig nieuw systeem voor een prachtige nieuwe wereld. Het was ook een antwoord op de jaren dertig, toen het vorige internationale geldstelsel bezweek: een op goud gebaseerd systeem dat in de crisisjaren door land na land overboord werd gegooid om met devaluaties de buren te slim af te zijn.

De oprichters van de EEG liftten mee op het Bretton Woods-systeem. Maar aan het Europa van de vaste wisselkoersen kwam veertien jaar na het Verdrag van Rome al een einde. Wantrouwig door de hoge overheidsuitgaven van de Amerikanen, begonnen steeds meer landen het beloofde goud op te eisen in ruil voor hun reserves in Amerikaanse dollars. Totdat de Amerikanen zelf in 1971 de dollar loskoppelden van het goud. Bretton Woods was dood en de dollar ‘zweefde’ voortaan – en als gevolg ook de onderlinge wisselkoersen van alle andere landen.

Daarmee begon een zoektocht naar iets waar de bedenkers van de Europese integratie nooit bij stil hadden hoeven staan: in de chaotische wereld van na 1971 zweefden voortaan de munten van de lidstaten van wat inmiddels de Europese Gemeenschap was gaan heten nu óók tegenover elkaar. En dat zou de economische integratie zelf in de wielen kunnen rijden. Want hoe kun je een steeds vrijer verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal voor elkaar krijgen als deelnemende landen te pas en te onpas de waarde van hun munten zien stijgen en dalen?

Er waren, en zijn, economen die daar het probleem niet van inzien. Maar in Europa begon de queeste naar een eigen vorm van wisselkoersstabiliteit. Er werd geëxperimenteerd met een ‘slang’, waarbij de wisselkoersen ten opzichte van elkaar mochten kronkelen, maar wel op een zo beheersbaar mogelijke manier. Dat zou niet lukken: er moest een bepaalde bandbreedte komen waartussen de munten maximaal mochten fluctueren. De ‘slang’ mocht alleen kronkelen in een ‘tunnel’.

Pas in 1979 werd een systeem uitgedacht dat soelaas kon bieden: het Europees Monetair Stelsel (EMS). Daarin werden zeer nauwe bandbreedtes afgesproken voor onderlinge koersfluctuaties. Voor het overgrote deel van de landen was dat plus of min 2,25 procent. Re- en devaluaties waren toegestaan, maar zeer mondjesmaat en pas na diepgaand onderling overleg. Eerst moest de munt worden verdedigd door de nationale rentevoet naar boven of beneden bij te stellen. Daarna moest de bandbreedte door de nationale centrale bank met steunaan- of steunverkopen worden verdedigd.

Hoe lang dit systeem duurde? Dertien jaar. In september 1992 testte de steeds omvangrijkere valutahandel de bereidheid van Italië en het Verenigd Koninkrijk om de koersen van hun munten koste wat kost te verdedigen. De markt won.

In september werd een murw gebeukte Bank of England op de knieën gedwongen en verlieten de Britten het EMS. Boosheid om het gebrek aan Duitse steun tijdens deze valuta-oorlog zou er toe bijdragen dat de Britten zich afzijdig hielden van het grootse experiment dat weldra zou volgen.

Ook de Italianen werden met hun lire weggespeculeerd. Spanjaarden en Portugezen volgden. Een jaar daarna was zelfs de Franse franc aan de beurt. Dat was te veel. In de zomer van 1993 werd de maximale bandbreedte van 2,25 procent naar boven en beneden als reactie op de voortdurende aanvallen zodanig opgerekt, dat de markt niets meer had om zich op te richten. De prijs daarvan was wel dat het systeem zijn betekenis verloor, en de zwevende wisselkoersen in de praktijk gewoon weer terugkeerden in Europa.

Temidden van die frustratie werd, in het Verdrag van Maastricht, gewerkt aan de uiteindelijke vlucht naar voren. Dat werd, om met Tolkien te spreken: ‘één munt om allen te regeren’. Deze lieveling, waarin de valuta’s moesten samensmelten en wisselkoersrisico’s voortaan verleden tijd zouden zijn, werd de euro. Zonder Britse deelname en dus zonder het pond, maar mét de belofte om de machtige Duitse mark op te laten gaan in een gemeenschappelijke munt, samen met de Franse franc en de munten van de meeste andere EU-landen. Landen die toetraden moesten voldoen aan strikte ‘Maastricht-criteria’: eisen over de staatsschuld, het begrotingstekort, de rentevoet en de inflatie.

De wantrouwige Duitsers eisten daar bovenop een ‘stabiliteitspact’, waarin landen vastlegden hun begrotingsdiscipline ook ná de invoering van de euro in 1999 te handhaven, op straffe van sancties. De op te richten gezamenlijke centrale bank, de Europese Centrale Bank, was een kopie van de Duitse Bundesbank. De locatie was dat eveneens: Frankfurt.

De rest is geschiedenis. Na een plan dat wederom dertien jaar meeging, is de euro nu in een existentiële crisis terechtgekomen. De aanvankelijke bezwaren – dat je geen muntunie kunt hebben zonder een dempend Europees herverdelingsmechanisme van welvaart, zoals de Amerikanen dat met hun dollar wél hebben – lijken bewaarheid te worden. Die herverdeling van welvaart vergt een unie die op federaal niveau wordt bestuurd, met een krachtig centrum dat de deelbelangen van de aangesloten deelstaten overstijgt. Zoals de Amerikanen dat met de dollar wél hebben. Het vergt zelfs dat bij de vorming van één Europese staat de schulden van de deelstaten op federaal niveau worden getild, en door de anderen gedeeld. Zoals de Amerikanen dat onder Alexander Hamilton eind achttiende eeuw wél deden.

De vraag is wat Europa nu doet. Een nieuw offensief naar een nog hechtere unie? Of het herstel van de verhoudingen van vóór de euro van 1999? Het moment van de waarheid komt snel dichterbij. En het zal hoe dan ook revolutionair worden.

    • Maarten Schinkel