Van een lofzang op Duitse superioriteit tot kwetsbare spelers

Arjen Fortuin neemt de vijf beste Duitse voetbalboeken door. Twee ervan gaan over de harde voetbalwereld – bij Enke leidde het zelfs tot de dood.

Nietzsches Umwertung aller Werte leek twee jaar geleden volmaakt. Terwijl Duitsland dansend strandde in de halve finale van het WK, buffelde Nederland zich naar de finale (en ging het daar schoffelend ten onder). Het is plotseling niet meer Oranje dat de pennen van de lyrische voetballiefhebbers in beweging brengt, maar Duitsland. Zelfs die van Nederlandstalige sportschrijvers, zoals Raf Willems die Het Mannschaftswunder. Waarom de Duitsers de besten zijn publiceert (De Arbeiderspers, 272 blz. € 19,95). Het boek is een heiligverklaring van alle facetten van het Duitse voetbal: het spel, de vreugde, de rol van het vrouwenvoetbal, de financiële stabiliteit van de clubs, ja, zelfs de ecologische verdiensten van de Duitse voetbalstadions.

Je moet er tegen kunnen, zo’n lange lofzang op de Duitse superioriteit, maar Willems neemt zijn lezers mee op een mooie, avontuurlijke tocht. Hoogtepunt is zijn portret van het fraaiste Duitse elftal aller tijden – niet uit 1954, 1974 of 1990, maar de rondom Günter Netzer gebouwde ploeg die in 1972 Europees kampioen werd die hij verbindt met de al even revolutionaire Ostpolitik van Willy Brandt. ‘Die Zukunft des Fussballs ist weiblich’, herhaalt Willems een aantal keer – een beetje vaak eigenlijk. Stilistisch is hij meer een Jürgen Kohler dan een Mesut Özil.

Bij Willems komt Franz Beckenbauer er niet goed af. Hij is de man die verantwoordelijk is voor het resultaatvoetbal dat in 1974 de elegantie van Netzer verdrong. In Filosofie van het voetbal (vert. Jan Sietzma, Job Zinkstok en Marja Nusselder, Klement, 176 blz. € 19,95) van de Duitse filosoof Martin Gessmann is hij juist het onderwerp van een buitengewoon elegante balfilosofische redenering: die over de uitvinding van de libero. Martin Heidegger zou ooit een treingesprek over filosofie en theater hebben afgekapt omdat hij ‘liever over Franz Beckenbauer wilde praten’. Die was voor Heidegger een toonbeeld van schoonheid, vooral door zijn ‘onkwetsbaarheid’ in de duels. Maar daar blijft het niet bij. Gessmann pakt er Heideggers ‘Beiträge zur Philosophie. Vom Ereignis’ bij en licht daar een citaat uit over de wijze waarop er in de filosofie plotseling een ‘tot algehele verandering aanzettende voorbereiding van een nieuwe begin’ optreedt. Dit noemt hij een Zuspiel, een pass. En wie is daar bij uitstek verantwoordelijk voor? Juist! De libero, Beckenbauer die in al zijn onkwetsbaarheid van achteren opkomt en met één pass de hele situatie op het veld verandert.

Dat voetballers verre van onkwetsbaar zijn, realiseerde de Duitse voetbalwereld zich met een schok toen bleek dat international Robert Enke zich in zijn auto moedwillig had laten scheppen door een sneltrein. De Duitse journalist Ronald Reng schreef er een mooi boek over: Robert Enke, een al te kort leven. (Vert. Peter Claessens. De Arbeiderspers, 415 blz. € 24.95), waarin vooral duidelijk werd hoe veel de keeper altijd voor de harde voetbalwereld verborgen moest houden. Dus speelde Enke steeds de zelfverzekerde, behalve waar het ging om zijn keepershandschoenen. ‘De naad zat bij zijn duim altijd aan de buitenkant, bij de andere vingers stond hij erop dat ze aan de binnenkant zaten.’ Als de naden anders liepen, kon Enke niet keepen, dus werden zijn handschoenen paar voor paar versteld – zoals dat nu eenmaal niet met mensen kan.

Vergeleken met Enke is Sebastian Deisler er nog redelijk uitgekomen. De speler gold rond 2000 als het grootste middenveldtalent sinds Netzer, maar was fysiek en psychisch niet bestand tegen een wereld waarin het hele stadion van Hertha BSC hem wekenlang uitfloot, nadat bekend geworden was dat hij voor het grote(re) geld bij Bayern München had gekozen – zo schrijft journalist Michael Rosentritt in Sebastian Deisler: Zurück ins Leben. Die Geschichte eines Fußballspielers (Edel Verlag, 247 blz. € 22,95). Bij de ellende in zijn geest kwam de kwetsbaarheid van het lichaam van Deisler, die in 2007 stopte met voetbal. Anders had hij deze maand zomaar als 32-jarige aanvoerder de Mannschaft naar de Europese titel kunnen leiden.

Die rol lonkt nu voor Philipp Lahm, wiens autobiografie Der feine Unterschied. Wie man heute Spitzenfussballer wird (Kunstmann, 269 blz. € 19,90) vorig jaar een relletje veroorzaakte. De over het algemeen braaf ogende rechtsback haalde zich een rij boulevardpersspeculaties over zijn geaardheid op de hals door te stellen dat het taboe op homoseksualiteit vreemd was en maakte nog meer mensen kwaad door een aantal van zijn trainers te bekritiseren. Lahm haalt zijn Braziliaanse ex-ploeggenoot Zé Roberto aan die mokte dat de aanwijzingen van Jürgen Klinsmann in de rust uit niet meer bestonden dan: ‘Jullie moeten een doelpunt maken.’ Als Johan Cruijff het zou zeggen, zou er waarschijnlijk een symposium aan de uitspraak worden gewijd, maar ja, Klinsmann is Cruijff niet – en Nederland geen Duitsland.

Arjen Fortuin