Van de slacht naar de cementoven

technologie

Kammen, lijm, zeep, veevoer en nu vooral: biobrandstof. Dat maakt de mens van kadavers. Anne-Marie Oudejans schreef er een boek over.

Diermeelketel, verhit met stoom. Ontwerp: Allbright-Nell Company, 1926.

Gekke koeien maakten in de jaren negentig een abrupt eind aan het idee dat een dood boerderijdier in zijn geheel eetbaar of herbruikbaar is. Tot 1990 was het heel gewoon dat koeien diermeel aten, gemaakt van het slachtafval van hun moeders.

Dat idee bestond toen nog maar vijftig jaar. Het ontstond in de Tweede Wereldoorlog. Er was een nijpend tekort aan dierlijk eiwit. Het was heel aantrekkelijk om slachtafval, resten van zieke dieren en vlees dat niet meer voor menselijke consumptie geschikt was te verwerken tot diermeel. En om zelfs het vet dat bij die destructie vrijkwam weer aan dieren te voeren.

De honderd jaar ervoor – grofweg van 1850 tot 1950 – stonden vooral de hygiëne en de volksgezondheid voorop. Het belangrijkst was toen dat de karkassen geen bron voor gevaarlijke infectieziekten mochten zijn. In de eeuwen ervoor werden her en der achtergelaten rottende kadavers opgehaald, en begraven of verbrand, vooral om stankoverlast te bestrijden. Huiden, hoeven en hoorns werden gebruikt.

Over de geschiedenis van de verwerking van dierlijk afval schreef procestechnoloog Anne-Marie Oudejans een boek. Met speciale aandacht voor de lage sociale status van de vroegere ‘vilders’. En voor de nu nog gebruikte processen die hun oorsprong in het eind van de negentiende eeuw hebben. Ze geeft het boek uit bij een print-on-demand-uitgever. Het draagt de sporen van een eigen productie, maar dat past wel bij een bedrijfstak die grotendeels verborgen werkt en omgeven is door taboes.

Een dood schaap naast de oprijlaan van een boerderij verstoort soms kortstondig een mooi fietstochtje op het platteland. Ook ligt naast de inrit van een boerderij soms zo’n typische langwerpig-ronde groene kap. Dan is er werk voor de kadaverwagen.

Daarvan rijden er dagelijks tientallen door heel Nederland. Ze halen ruim 150 miljoen kilo kadavers op. 75.000 zieke koeien die niet meer kunnen worden opgegeten. Ruim 30.000 geiten. Maar het jongvee zorgt voor de grootste aantallen: 5 miljoen biggetjes. Eén op de zes à zeven biggen overlijdt in de eerste paar levensweken. Doodgedrukt, diarree, longziekte, dat soort doodsoorzaken. Ook 70.000 lammetjes worden niet oud. Die kleine dieren liggen doorgaans niet op de oprit. Een beetje bedrijf heeft er een kadaverton voor. Zo gewoon is het dat een jong dier het niet haalt en naar de Rendac gaat.

Rendac is het enige Nederlandse bedrijf met een vergunning voor de verwerking van dierlijk materiaal dat niet direct in de voedselketen mag terugkeren. Het slachtafval en de oneetbare dieren worden verwerkt tot vet en diermeel. “We noemen het nog diermeel, maar het is tegenwoordig biobrandstof.” Zegt Sjors Beerendonk, directeur van VION Ingredients, het bedrijf waar Rendac onderdeel van is. “Het diermeel leveren we vooral aan de cementindustrie, voor gebruik in de cementovens. Het kan ook in een bepaalde verhouding worden bijgemengd in kolencentrales. Het vet dat uit het verwerkingsproces komt, is – afhankelijk van de kwaliteit – geschikt als biodiesel, maar er is ook een fractie die naar de afvalverbranding gaat.”

Dat dieren geen diermeel meer te eten krijgen, is het gevolg van de gekkekoeienziekte. Dat is een hersenziekte, veroorzaakt door het prioneiwit. Een prioneiwit is infectueus. Het kan twee vormen aannemen: een normale vorm en een ziekmakende. Zodra die twee contact maken, verandert de normale vorm in de ziekmakende vorm. De ontdekking betekende dat er een nieuwe categorie infectieziekte was, die van infectueuze eiwitten. Ziekmakende prioneiwitten worden niet onschadelijk door een standaardsterilisatie, vooral niet als die slordig wordt uitgevoerd.

In Groot-Brittannië ging dat fout, schrijft auteur Oudejans, omdat er diermeel met een hoog vetgehalte werd geproduceerd. Dat beschermt de prionen. Bovendien waren de Britse verwerkers overgeschakeld naar een continuproces, waarin de vereiste hoge temperatuur en druk niet altijd werden gehaald. Zo kwamen de ziekmakende eiwitten van aan gekkekoeienziekte gestorven dieren in het diermeel dat weer aan dieren van dezelfde soort werd gevoerd. Een epidemie van gekkekoeienziekte – in de jaren tachtig – was het gevolg. Tot vorige maand overleden 176 Britten aan de variant van de ziekte van Creutzfeldt-Jakob die door de koeienprionen wordt veroorzaakt. Het kan heel goed dat die mensen besmet zijn geraakt door in vleeswaren verwerkt zenuwweefsel.

Toen overduidelijk was dat infectueuze eiwitten zelfs van soort op soort (van schaap naar koe, van koe naar mens) konden overspringen, besloot de EU tot een rigoureuze maatregel. Vanaf 1997 moest afval met welk risico dan ook voorgoed uit de voedselketen verdwijnen.

Er zijn nog steeds mensen die dat kapitaalvernietiging vinden. Materiaal van de categorie 1 moest worden verbrand. Daartoe horen hersenen en ruggenmerg van voor consumptie geslachte dieren, hele koeien met gekkekoeienziekte en schapen met de verwante ziekte scrapie, en koeien die afgemaakt zijn omdat een stalgenoot gekkekoeienziekte had.

Resten van dieren die sterven aan een bacterie- of virusziekte, die worden gedood omdat hun stalgenoten zo’n ziekte hadden, of dierresten die om andere redenen risico lopen worden categorie 2. De resten ervan mogen ook niet in de voedselketen komen, niet voor cosmetica of medicijnen worden gebruikt, maar ‘technische toepassingen’ zijn toegestaan. In Nederland wordt materiaal van categorie 1 en 2 bij de Rendac gezamenlijk verwerkt tot biobrandstof.

Dierresten waar nog grondstoffen voor menselijke consumptie uit mogen gewonnen (het risicoloze slachtafval, afsnijdsel, overschotten) horen tot categorie 3 en gaan naar verwerkingsbedrijf Sonac, onderdeel van dezelfde holding als Rendac. Sonac maakt onder andere gelatines en enzymen voor de voedingsindustrie.

Alles wat bij Rendac in Son aankomt wordt eerst gepasteuriseerd. Om ziektekiemen te doden en eventueel al begonnen rotting te stoppen. Daarna komt de sterilisatie stap. Wettelijk verplicht, minstens 20 minuten bij 133 graden Celsius en 3 bar druk. Het vermalen materiaal wordt daarna uitgekookt, waarbij vrijkomend vet wordt afgescheiden. Het restant wordt gedroogd en gemalen, tot een product dat nog steeds diermeel heet, maar als brandstof wordt gebruikt.

Anne-Marie Oudejans. Categorie . Dierlijke afvalverwerking door de eeuwen heen. Uitgave te bestellen via vermeerbestseller.nl. €

    • Wim Köhler