Symfonie uit de steenkoolkrochten

De tweejaarlijkse rondreizende Europese Biënnale voor Hedendaagse Kunst is neergestreken in Genk en teruggebracht tot één locatie: de oude mijn Waterschei. Al snel voert de reis langs films die gaan over industrialisatie en wat dat doet met ons leven en onze dood.

Het is roetzwart, het plakt, het schaadt je longen, en het delven ervan – diep onder de grond – is een riskante onderneming. Is steenkool eenmaal opgegraven, dan verdwijnt het in de kachel of in de muil van een fabrieksoven. Zo gaat het. Maar niet met dít specifieke stukje steenkool, dat te zien is op de negende editie van Manifesta, de tweejaarlijkse, rondreizende Europese Biënnale voor hedendaagse kunst. Met dit stukje kool loopt het af als in een sprookje.

De Engelsman G. Turton, zijn voornaam weten we niet, grijpt ergens aan het eind van de negentiende eeuw dit stukje kool uit een enorme berg steenkolen. Misschien is het een zomeravond en zit Turton na zijn dienst in de mijnen buiten voor het huis. Hij verdrijft de tijd. Hij weegt het kooltje in zijn handen, wrijft erover, kijkt er nog eens naar en haalt dan zijn gereedschap tevoorschijn.

Met beitel, vijl, hamer, mes, met een reeks instrumenten die steeds preciezer worden, begint hij te hakken, te snijden, te vijlen. Turton beeldhouwt een schoen, een hoge damesschoen met gaatjes voor de veters, fraaie stiksels en een elegant hakje.

De steenkoolschoen is een perfecte kopie van een echte schoen: hij glanst als pas gepoetst leer. Ter hoogte van de enkel boort Turton twee gaatjes. Daar kan een kettinkje doorheen. De schoen is een hangertje, een wondertje van amper twee centimeter groot. Aan wie doet hij een schoen van steenkool cadeau? Aan zijn moeder? Zichzelf? Zijn geliefde? Wie zou dit fonkelende kleinood, dat vlekken achterlaat op je kleren, om de hals willen dragen?

De schoen zou in een museum voor mijngeschiedenis nauwelijks opvallen tussen de mijnwerkerslampen en het delfgereedschap. Maar op Manifesta 9 in het Belgische Genk past het werk van de onbekende amateur prachtig bij dat van een van de beroemdste kunstenaars van de twintigste eeuw: Marcel Duchamp (1887-1968).

In de uiterste periferie van het mijnstadje, in het glorieus vervallen mijncomplex Waterschei waar Manifesta wordt gehouden, staat het schoentje van steenkool scherp uitgelicht in een vitrine aan de rand van Duchamps Grot. Duchamp maakte De Grot in 1938 met zijn surrealistische bentgenoten Salvador Dalí en Wolfgang Paalen voor de ‘Exposition Internationale du Surréalisme’ in Parijs. De Grot moest een alternatief vormen voor het traditionele tentoonstellingsmodel van de white cube.

Duchamps bijdrage bestond uit een zwaar verlaagd plafond van twaalfhonderd, met kranten gevulde, juten steenkolenzakken waar het gruis vanaf dwarrelde. Paalen was verantwoordelijk voor de vloer, bezaaid met dorre bladeren en takken. Dalí ontwierp een zwembad. In de tentoonstellingsruimte was verder plaats voor vier tweepersoonsbedden van waaraf je schilderijen kon bekijken die op draaideuren waren bevestigd. De geur van versgebrande koffie en een vuurkorf voor het licht maakte van de grot een waar, surrealistisch ‘thuis’.

Op deze Manifesta is Duchamps ‘firmament van vleermuizen’, zoals het plafond van de grot in 1938 op de uitnodigingskaart voor de tentoonstelling stond beschreven, gereconstrueerd. En dat is mooi. Want de leegte daaronder geeft niet alleen Turtons schoentje de ruimte. Het weerspiegelt ook een ander firmament vlakbij, dat van een veel jongere, hedendaagse kunstenaar: de Mexicaan Carlos Amorales (1970).

Amorales is in Waterschei de buurman van Duchamp. Hij heeft een Coal Drawing Machine ontwikkeld die metersgrote houtskooltekeningen uitspuugt – automatisch, op afstand bestuurd. De tekeningen zijn opeenstapelingen van geometrische vormen en de tekens die door mijnwerkers werden gebruikt om elkaar ondergronds te waarschuwen voor gas of instortingsgevaar. Amorales’ zwart-wit tekeningen hangen – eenmaal uitgespuugd – als natte kledingstukken te drogen aan haken van het plafond. Zo groeit daarboven een doolhof van waarschuwingen, een firmament van vergeten betekenissen – omdat haast geen steenkolenmijn nog in gebruik is.

De opstelling van Duchamp, Turton en Amorales is typerend voor deze Manifesta. Editie 9 in Genk is vele malen interessanter en verrassender dan voorgaande afleveringen. Die waren versnipperd over steden als Luxemburg, de Spaanse provincie Murcia, de Italiaanse regio Trentino-Alto Adige, Ljubljana of Donostia-San Sebastián. Dat betekende veel omslachtig gereis en gezoek naar locaties. Bovendien kwam iedere curator met zijn eigen lijstje favorieten, wat de versnippering nog meer versterkte.

Dit jaar pakt de Mexicaanse hoofdcurator Cuauhtémoc Medina dat anders aan. Manifesta 9 is teruggebracht tot één locatie: de oude mijn Waterschei. En de Mexicaan, die lange tijd als conservator hedendaagse Latijns-Amerikaanse kunst bij Tate Modern heeft gewerkt, verrichtte grondig vooronderzoek. Tijdens zijn rondritten door de Belgische Kempen, de Duitse en Nederlandse buurgebieden, tijdens de gesprekken die hij voerde met bewoners en bestuurders, werd hem één ding duidelijk. In deze regio kon en wilde hij geen tentoonstelling over hedendaagse kunst organiseren zonder er niet óók de dramatische geschiedenis van de streek bij te betrekken.

Op weinig plekken in Europa is in de loop van een eeuw namelijk zoveel veranderd als in dit kolenbekken. 111 jaar geleden bestond er nog geen Genk, was er nog geen Nijverheidslaan, geen Weg naar As of Onderwijslaan. Toen lagen hier woeste gronden, heidevelden en moerassen, met hier en daar een keuterboerderijtje. André Dumont ontdekte in 1901 in de buurt van het huidige As steenkool. In 1909 werd op de plek die Waterschei heette – naar de waterscheiding tussen de rivieren de Schelde en de Maas – de eerste proefboring verricht. In 1924 werd de mijn in gebruik genomen. Dat leidde tot een toestroom van vooral Italiaanse en Turkse immigranten, tot de ontwikkeling van tuindorpen in Engelse cottage-stijl, vervuiling van het milieu, aanleg van spoor en wegen, veel werkgelegenheid én – na de sluiting van alle Belgische steenkolenmijnen in de jaren tachtig en negentig – een hoge werkeloosheid.

Waterschei is een van de weinige, destijds in art déco stijl ontworpen mijncomplexen die nog overeind staat. In 1987 werd de mijn gesloten, werden de gebouwen ontmanteld en deels gesloopt. Het hoofdgebouw, met verbindingsgangen naar nog één schacht, mocht blijven en staat sindsdien weg te gruizen in vocht, stof en kou.

Op de eerste verdieping is permanent een museumpje gevestigd over mijnbouw in Genk. Hier heet het bier ‘kompel’ en zingt een Italiaan Napolitaanse smartlappen. Daaromheen, daaronder en daarboven ontrolt zich onder de naam The Deep of the Modern een gigantische loper die telkens van toon en kleur verspringt. Samen met co-curatoren Katerina Gregos (bekend om haar historische aanpak van hedendaagse-kunstmanifestaties) en Dawn Ades (specialist bij Tate Britain in twintigste-eeuwse avant-gardekunst) richt Medina zich op de geschiedenis van het hedendaagse en het hedendaagse van de geschiedenis.

Het resultaat is een expositie die doet denken aan de van associaties overstromende tentoonstellingen die de Zwitserse tentoonstellingsmaker Harald Szeemann maakte. Voor Szeemann – overleden in 2005 – stond de utopische, maar klunzige torenbouwer Robert Garcet op hetzelfde niveau als Marcel Broodthaers, Gaudí of Schwitters. Medina en zijn team hanteren dezelfde uitgangspunten. Er is geen grens tussen heden en verleden. Er is geen hiërarchisch onderscheid tussen officiële kunst en amateurkunst. Er is geen jacht op jongste hypes.

Een ontdekking kan evengoed een amateur als Turton zijn, een onbekende Franse fotograaf uit de negentiende eeuw (Olivier Bevierre), of de uit Ecuador afkomstige Kuai Shen, die met een nijvere mierenkolonie de claustrofobie van het onderaardse mijnwerkersbestaan verbeeldt.

Ook de muren tussen verschillende disciplines zijn in Genk afgebroken. Waarom niet de fossiele resten uit het Carboon met dezelfde ogen bekijken als Cécile Douard deed op het wervelend impressionistische schilderij van vrouwen die een slakkenberg in de Borinage doorzoeken? En waarom steekt het werk van de Franse kunstenaar Christian Boltanski, die in een reusachtige installatie met vergeelde foto’s aan Vergangenheitsbewältigung probeert te doen, ineens zo gekunsteld af naast de oorspronkelijke, beduimelde werkboekjes van mijnwerkers (man, vrouw en kind) die uit het mijnmuseum in Eisden zijn overgebracht naar Genk?

En zo zijn er nog tientallen interessante vergelijkingen en dwarsverbanden te maken. Het vertrekpunt van Manifesta 9 is het steenkolengebied in de Belgische Kempen, maar al snel gaat de reis de Belgische grens over, en voert langs internationale kunst en wetenschap, documentaires, stripboeken, brieven, muziek en films die gaan over industrialisatie en wat dat doet met ons leven en onze dood.

Aangrijpend en subtiel is de korte videofilm Sounds from Beneath, gemaakt in 2010 en 2011 door de Griekse kunstenaar Mikhail Karikis (met hulp van Uriel Orlow). Karikis werkt in deze van op- en ondergang doordrenkte film samen met een koor van ex-mijnwerkers uit de Snowdown-mijn in het Britse Kent. Karikis vroeg de oude mannen om de geluiden na te zingen die ze zich nog herinnerden van hun werk in de mijn meer dan twintig jaar geleden. Zo ontstaat een symfonie van geboor, gehamer, gefluit. Er klinken explosies, alarmbellen gaan af, stoom ontsnapt sissend tussen lippen vandaan.

Met Sounds from Beneath richten Karikis en Orlow een monument op voor mijnwerkers van alle landen en hun geschiedenis, dat zowel diep persoonlijk is, weemoedig en vol schittering. Gaat dat zien, en horen.

Manifesta 9 – ‘The Deep of the Modern’ opent vandaag en duurt t/m 30 sept. Voormalige koolmijn Waterschei, André Dumontlaan 3600, Genk (BE). Di t/m zo 10-19u, vr 10-22u. Catalogus 28 euro. Inl en kaartverkoop: +32 89 7140440 of www.manifesta.org

    • Lucette ter Borg