Opinie

Standbeelden

Een paar maanden geleden kreeg ik van deskundige zijde een e-mail over Thorbecke. Op het hoofd van zijn standbeeld aan het naar hem genoemde plein in Amsterdam had de gemeente een paar puntige stukken ijzer bevestigd, om de vogels te verhinderen daar uit te rusten en hun behoefte te doen.

Er zat een foto bij. De grondlegger van onze democratie met die defensie op zijn schedel. Ik dacht even aan W.F.Hermans, zijn essay De lange broek als mijlpaal in de cultuur. In de oudheid waren de beelden naakt, op z’n hoogst voorzien van een vijgeblad. Toen kwam de christelijke preutsheid. Stel je voor, schrijft Hermans: Thorbecke naakt op zijn plein. Dat was door de politiek en de burgerij niet gepikt.

In de goeie ouwe tijd (vorige eeuw) liep ik dagelijks over het plein naar mijn werk. Een mooie romantische ruimte met links en rechts een paar kroegen en een stripteasetoestand. Misschien was het ’s avonds een poel van zonde maar bij daglicht een oord van romantisch verval. En dan kwam ik op het Rembrandtplein waar ik op lijn negen of lijn vier stapte. Het Rembrandtplein had in die tijd een extra attractie: de Nachtwacht, het Vendel van Frans Banning Cocq in drie dimensies. De schepping van een paar Russische kunstenaars. Dagelijks stond daar een drom toeristen, ervoor, eromheen en tussen de krijgsmannen. Ze lieten zich fotograferen, met een arm om de schouder van de commandant, gehurkt voor het gezelschap. Met Rembrandt op de foto.

Maar zoals vaak in het moderne toerisme: een foto is niet genoeg. Je wilt ook een tastbaar souvenirtje. Dus braken de ondernemendste bezoekers er een vinger af. Dat was het begin. De Nachtwacht werd een keer gerestaureerd, er werd een beroep op het publiek gedaan om meer geld voor het herstel te geven, maar het was vergeefs. Het Vendel is verdwenen, spoorloos, en de kunstenaars die het gemaakt hebben zijn anoniem gebleven. Misschien had het geholpen als de gemeente een diepe greppel omheen had laten graven. Spoor dit metalen gezelschap weer op, restaureer het en zet het neer dicht in de buurt van het Rijksmuseum, met digitale beveiliging. Er moet iets op te vinden zijn om ook een driedimensionale Nachtwacht onkwetsbaar te maken.

Toen Het Vendel er nog in zijn volle glorie stond, heb ik eens voorgesteld, ook Vincent van Gogh op die manier te eren, met zo’n behandeling van De Aardappeleters, het dramatische schilderij dat hij in 1885 heeft gemaakt. Daar zien we de klassieke arbeidersfamilie De Groot in dat armoedige eetkamertje aan de avondmaaltijd. Vier grote mensen en een kind. Aan degenen die met hun gezicht naar de kunstenaar zitten en aan de houding van de hele familie kun je zien dat het smaakt. Ze eten met hun vingers.

Stel je voor dat van deze voorstelling een beeldengroep op ware menselijke grootte zou worden gemaakt, dat dit afgeleide kunstwerk ergens op het Museumplein in de buurt van het Van Gogh zou worden gezet. En nog beter, dat verderop de driedimensionale Nachtwacht weer te zien zou zijn. Nu staan voor het Rijks en het Van Gogh al die toeristen uit alle werelddelen, in rijen van honderden meters. Dat brengt veel geld in het laatje. Maar het kan beter. Amerikanen, Russen, Chinezen, Japanners, allemaal willen ze met De Aardappeleters op de foto, en doen alsof ze een vorkje meeprikken. Wat is daar tegen? Op het Museumplein zijn al kapitalen aan mislukte projecten weggegooid. Bij een goede beveiliging wordt dit gegarandeerd winstgevend.

Maar in Nederland hebben we een zekere reserve tegen standbeelden. Niet lang geleden is er ruzie ontstaan over het beeld van Jan Pieterszoon Coen in Hoorn, waarvan de tekst op de sokkel moest worden aangepast, want die was niet in overeenstemming met de historische werkelijkheid. Ik weet niet hoe het is afgelopen. In Amsterdam hebben we Multatuli op de Torensluis, een paar flinke monumenten op de Dam en het Museumplein, natuurlijk Rembrandt op zijn eigen plein, een monument voor Van Heutz dat een halve eeuw geleden door de progressieven van toen bijna is opgeblazen, Atlas op het Paleis en Het Lieverdje op het Spui, volgens de tekst op de sokkel aangeboden door de Hunter sigarettenfabriek. Ha! Hunter! Heerlijk! Dat was toen de slagzin. Moet hier de geschiedenis niet worden herschreven?

In Rotterdam staan Van Oldenbarnevelt, Fanny Blankers-Koen (die ook in Hengelo een beeld heeft) en bij het Schielandshuis Pim Fortuyn, groot, in brons. En natuurlijk Erasmus. Ik weet dat deze opsomming zeer onvolledig is, maar ik wil geen landelijke catalogus maken. Mij gaat het om de vraag wat een samenleving ertoe brengt, iemand met een standbeeld te eren. Waarom heeft de beroemde middenvoor uit de jaren dertig, Bep Bakhuys, er nooit een gekregen? Waarom hebben we de fameuze bokser Bep van Klaveren, bijgenaamd The Dutch Windmill overgeslagen? Hoe zit het met het beeld van Johan Cruijff?

Misschien is Nederland in deze tijd minder geschikt voor standbeelden. Wij zijn overgevoelig geworden voor hype, de kunstmatig opgewekte storm van publiciteit, die voor de ene helft van het volk een held creëert, die door de andere helft als de gezworen vijand wordt gezien. Zo komen we al gauw aan de rand van een burgeroorlog. Probeer een standbeeld voor Geert Wilders op te richten.