Moraal

Geen medelijden: afgelopen week nam Christine Lagarde, de directeur van het Internationaal Monetair Fonds, het Griekse volk de maat. Werkloze jongeren moesten maar bij hun ouders verhaal gaan halen – als die gewoon hun belastingen hadden betaald, was het niet zo ver gekomen. Arme kinderen in Niger, daar kon de topvrouw wel van wakker liggen. Arme Grieken – pfft!

Haar woorden werden niet op prijs gesteld. De Franse regering noemde ze „nogal simplistisch en stereotiep”. De Griekse leider van het socialistische Pasok noemde ze „vernederend”.

Zelf verdient mevrouw Lagarde ongeveer vierenhalve ton per jaar, plus onkosten. Ze blijkt, ontdekten journalisten, vanwege haar diplomatieke status zelf geen belasting te betalen. Geen cent.

Ik vind het interessant nieuws. Alle pijn van onze tijd komt erin samen – een elite die in tijden van crisis gemeenschapsmoraal predikt, terwijl ze zichzelf grotendeels aan die moraal onttrokken heeft. En de blindheid van internationale bestuurders voor gevoelens van nationale trots; Lagarde heeft een punt, maar zulke vermaningen maken Grieken alleen maar meer Griek – en nog recalcitranter. Lagarde jaagt ze in de armen van populisten.

Publieke moraal en identiteit, de twee blinde vlekken van het establishment.

In een samenleving die doordrenkt is van het geloof in de markt, is het publieke belang iets virtueels – fijn om over te praten, fijn om anderen aan te herinneren, zonder dat het een weerslag in je eigen leven krijgt. Of je verplaatst je morele betrokkenheid ver buiten je eigen omgeving, een soort outsourcing van de publieke moraal – aidsbaby’s, kindsoldaten, rampenslachtoffers. Dat is mooi, want die mensen hebben het pas echt zwaar, maar het confronteert je met weinig of geen lastige dilemma’s in je eigen omgeving. Wat ben je anderen verplicht? Waar ligt de grens van je betrokkenheid?

Wat dat betreft is de opmerking van Lagarde over de kinderen in Niger veelzeggend. Ongetwijfeld zijn die kinderen slechter af dan de armste Griek, maar Lagarde gebruikt hen om de Grieken te honen. Wat ze zelf voor de kinderen in Niger doet, blijft onduidelijk.

Het geval-Lagarde laat een moeizame verschuiving zien: die van een marktmoraal naar een publieke moraal. Dat is waar de crisis ons toe dwingt; toen het geld onze oren uitkwam, konden we gerieflijk klagen over de verruwing van omgangsvormen, groeiend egoïsme en de schande dat in een welvarend land als het onze zoiets als een voedselbank bestond. Het verplichtte tot weinig. Nu er harde klappen gaan vallen, moeten uitgeholde begrippen als gemeenschap en, gadver, solidariteit weer betekenis krijgen.

Dat lukt nog niet zo goed.

Een voorbeeld. Er is afgelopen week ophef ontstaan over het royale dividend dat de aandeelhouders van deze krant zichzelf hebben uitgekeerd – meer dan drie keer de winst van het afgelopen jaar. Volgens de moraal van de markt is dat geoorloofd. Er wordt geen regel ontdoken, geen wet overtreden. Maar in een tijd waarin kranten moeten vechten voor hun lezers, waarin ontslagen vallen en freelancers worden onderbetaald, botst de marktmoraal hard met de gemeenschapsmoraal – hoe kun je eigenaren hebben die geen betrokkenheid lijken te voelen met hun waardevolle eigendom? Hoe kan bij een nieuwe bezuiniging solidariteit worden geëist, terwijl die bij degenen die deze solidariteit eisen lijkt te ontbreken – zie ook het geval-Lagarde? Dit is een morele kwestie, die nu op het bord ligt van mensen die niet meer gewend zijn om in termen van moraal te denken.

Bij zijn aantreden kortte de nieuwe Franse president Hollande zichzelf en zijn ministers met dertig procent in hun salaris. Hij nam de trein naar Brussel in plaats van een privéjet en schoof bescheiden aan in de studio van het televisiejournaal, in plaats van een cameraploeg op het Élysée te ontbieden. Anders dan zijn voorganger laat Hollande zien dat eisen aan de samenleving ook eisen aan hemzelf inhouden. Dat is de nieuwe publieke moraal.

    • Bas Heijne