Meer tandbederf met kaaskiezen

Vijf tot negen procent van de Nederlandse kinderen heeft gele, zwakke ‘kaaskiezen’ in het melkgebit. Deze kinderen hebben een veel grotere kans op kaaskiezen in het blijvende gebit dan leeftijdgenoten met gezonde kiezen. Dat blijkt uit het proefschrift van tandarts Marlies Elfrink (UvA, promotie 1 juni).

Wanneer melkkiezen in de mond van jonge kinderen doorbreken en geel verkleurd glazuur op het kauwvlak hebben, spreekt men van kaasmolaren of kaaskiezen. Deze kiesjes hebben vaak een zacht glazuuroppervlak, zijn erg pijnlijk, brokkelen zeer vlug af en zijn daardoor heel gevoelig voor tandbederf.

De afwijking wordt gezien als de grootste aangeboren stoornis van het gebit. Ze ontstaat door een stoornis in het mineraalgehalte van het tandglazuur. Waardoor de aanleg van het glazuur verstoord raakt, is weinig onderzocht.

Elfrink werkte samen met Rotterdamse onderzoekers van de Generation R-studie, waarin nog ongeboren kinderen tot hun jonge volwassenheid worden gevolgd. Laag geboortegewicht, etniciteit, alcoholconsumptie van de moeder tijdens de zwangerschap bleken verband te houden met de glazuurafwijking. Eerder dacht men dat vooral factoren in het kind een rol speelden. Koorts bij het kind in het eerste levensjaar bleek wel een risicofactor.

Tandartsen kunnen bij vroege opsporing van de kaaskiezen in het melkgebit gerichte behandelplannen opstellen om de kaasmolaren in het blijvende gebit te behouden, bijvoorbeeld door deze al vroeg te behandelen met vulmaterialen.