‘Maria geeft mij weerwoord’

Jacques van Gent (1932), bibliothecaris, over zijn grote liefde Maria.

Maria, begin jaren tachtig

Vlakbij hun flat razen de treinen langs, dat is een nadeel. Maar kijk eens hoeveel ruimte ze hier hebben, met al die kamers. Hem hoor je niet mopperen.

‘Ik heb het achtjarige gymnasium gedaan, zeg ik altijd. Ik begon met een achterstand, want ik had door de oorlog de zesde klas van de lagere school moeten overslaan. Op het gym bleef ik een keer zitten, en ik zakte ook nog eens voor het eindexamen. Daarna moest ik in militaire dienst. Als oud-gymnasiast kwam je bij de opleiding voor reserveofficier. Ik was best trots op mijn uniform, maar na een jaar had ik schoon genoeg van het leger.

„Een van mijn broers was vanuit ons ouderlijk huis in Schipluiden naar Australië geëmigreerd, en ik mocht uit dienst om daar ook heen te gaan. Je kreeg nog een staatsvergoeding ook. Mijn broer woonde in Broken Hill, een mijnstadje midden in de woestijn. Bij hem thuis las ik een keer in de Catholic Weekly dat de missionarissen lekenapostelen zochten om hen te assisteren in Nieuw-Guinea. Waarom niet, dacht ik. De verlegenheid uit mijn schooltijd was weg, ik wilde wel eens wat meemaken. In Nieuw-Guinea ging ik lesgeven aan Papoeajongetjes: een beetje Engels, een beetje rekenen. Intussen correspondeerde ik met Maria uit Schiedam.

„Ik had Maria ontmoet op een fuifje bij een neef van mij, vlak na mijn eindexamen. We hadden een leuk gesprek, maar helaas was ze al bezet. Kort daarna mocht ik op een feestje bij haar thuis komen – haar vriend was er niet bij. Ik kwam in uniform, en ik had een snorretje in die tijd. Haar twee jongere zusjes waren diep onder de indruk. Zij moedigden me zo aan dat ik achter de piano in de woonkamer ging zitten en deed alsof ik de Vijfde van Beethoven inzette, bij wijze van lollige act. Ik kende vier akkoorden, geloof ik.

„Daarna ben ik met Maria gaan schrijven. Een brief naar Australië was er in ruim een week, want daar had je luchtpost, maar in Nieuw-Guinea moest je wel een maand wachten. Na drie jaar schreef Maria dat het uit was met haar vriend. Onze correspondentie werd meteen gerichter, want ik koesterde warme herinneringen aan haar. Ze was leuk en gezellig en echt geïnteresseerd in wat ik deed. Voor Maria keerde ik terug naar Nederland.

„Mijn ouders waren helemaal verguld met haar: een keurig meisje uit Schiedam, de plaats waar zij oorspronkelijk ook vandaan kwamen. Haar ouders hadden aanvankelijk wel enige reserve, want ik had net vier jaar in dat wilde oerwoud gezeten. Maar wat onze afkomst betreft pasten we bij elkaar. Op ons huwelijk zat de kerk vol met familieleden.

„Maria en ik hebben samen drie kinderen gekregen en op verschillende plekken gewoond. Ik heb mezelf via allerlei cursussen en een studie culturele antropologie opgewerkt tot hoofd van een bibliotheek. Er waren tijden dat ik op het werk veel mooie vrouwen om me heen had, en dan deden er wilde verhalen de ronde over mijn flirtgedrag – de meeste schromelijk overdreven overigens. Maar Maria voelde zich daar nooit door bedreigd. Ze vond het juist leuk dat ik in trek was bij de dames. Het was toch maar spel? En zelf lag ze ook niet slecht. Je moet elkaar een zekere vrijheid gunnen, anders wordt een huwelijk op den duur een onmogelijke opgave. Mensen kunnen tegenwoordig vaak zo weinig van elkaar hebben. Bij het minste of geringste gaan ze scheiden. Wij zijn nu 52 jaar getrouwd en we hebben het nog altijd leuk met elkaar.

„Maria is mooi, ze is sterk, en ze geeft mij weerwoord. Ik ben extravert en ik kan me nogal uitsloven, zeker in gezelschap, maar zij zet me telkens terug op aarde. Dat is het allermooiste.”

Pas als hij is uitverteld, komt Maria even kijken. Vreemde situatie dit, lacht ze. Jacques praat meestal over zichzelf.

    • Sandra Heerma van Voss