In spagaat tussen euro en burger

De Griekse chaos en de Spaanse bankencrisis kunnen de euro binnenkort fataal worden. Politici weten dat, maar doortastend handelen kunnen ze niet zonder de democratie geweld aan te doen.

Twee economen komen elkaar tegen in een stemlokaal. „Wat doe jij hier?”, vraagt de één. „Mijn vrouw vindt dat ik moet stemmen”, zegt de ander. „Mijn vrouw ook”, zegt de eerste. Na een korte stilte zegt nummer één gegeneerd: „Als jij aan niemand vertelt dat je mij hier hebt gezien, zwijg ik over jou.” Ze schudden elkaar de hand en lopen elk een stemhokje in.

Deze anekdote staat in het boek ‘Freakonomics’ van Stephen Dubner en Steven Levitt. Waar het de auteurs om gaat, is dat economen rationele mensen zijn die weinig te maken willen hebben met irrationele daden, zoals je stem uitbrengen.

Dat economische en democratische logica haaks op elkaar kunnen staan, weten Europese leiders als geen ander. Nu de crisis spectaculair uit de hand dreigt te lopen, staan zij in een spagaat tussen beide logica’s.

De Griekse chaos en de Spaanse bankencrisis kunnen de euro binnenkort fataal worden. Politici weten dat. Maar doortastend handelen kunnen ze niet. Als ze de oplossingen uitvoeren die economen aandragen, doen ze de democratie geweld aan.

De economen willen maatregelen waar burgers geen zin in hebben, zoals euro-obligaties. Maar als de politici doen wat de kiezers het liefste willen, is de kans groot dat de economie instort. Dat kan het eind zijn van de welvaart op dit continent, en zelfs van de Europese Unie.

Europa heeft zich altijd door economische logica laten leiden. Europa begon als één grote markt van zes landen, die langzaam verdiepte en uitbreidde. Europa is nog altijd een markt, van 27 landen intussen. Zeventien delen de euro. De hele boel is onderling zó verknoopt geraakt, dat de ravage groot is als die ontploft. De enige manier om dat te voorkomen, is een gigantische stap zetten naar meer Europese integratie.

Om die economische logica te volgen, hoef je alleen maar naar Spanje te kijken. Daar staan grote banken op ploffen. Als dat gebeurt, moet de staat ingrijpen. Die moet vervolgens naar het Europese noodfonds. Wat er bij Bankia gebeurt, treft alle eurolanden dus direct in de portemonnee.

Toch is er geen Europees toezicht op Bankia. De Spaanse banktoezichthouder deelt nauwelijks informatie met Europese collega’s. Sterker, elke week komt hij met cijfers die tonen dat het erger is dan iedereen dacht.

Eurolanden moeten dus één machtige banktoezichthouder benoemen, zei president Mario Draghi van de Europese Centrale Bank (ECB) deze week. Maar dan moet er ook één Europees depositogarantiesysteem komen. En één fonds met geld om noodlijdende banken overeind te houden, zodat landen elkaar niet in de haren vliegen om geld.

Maar voor zo’n fonds is geld nodig. De Europese begroting is klein: 1 procent van de gezamenlijke nationale begrotingen. Daar kan het niet vanaf. Dus moeten landen meer geld storten in de Europese begroting óf een speciale belasting heffen voor zo’n bankenfonds. Maar hoe krijgen politici dit er ooit door in eigen land?

Hier botst de economische logica op de democratische logica. Landen geven al jaren minder geld aan Europa. Mensen vinden Europese ambtenaren fatcats, die ook eens de broekriem moeten aanhalen. Politici kunnen dit nuanceren. Maar dat doen ze niet. Integendeel, zij stellen geregeld voor te bezuinigen op ‘Europa’.

Diezelfde politici staan voor een immens dilemma. Zij willen niet dat hun banken omvallen en hun economieën instorten. Dat is een reëel scenario. Maar zij willen evenmin dat de kiezer hen bij verkiezingen straft voor maatregelen die ze nemen om die ineenstorting te voorkomen. De kiezer wordt steeds sceptischer over de Europese crisisbestrijding. In zijn ogen is dit een onderonsje van regeringsleiders die dingen doordrukken waar niemand meer vat op heeft.

‘Summitization”, noemt voorzitter Martin Schulz van het Europees Parlement dit fenomeen, waarbij „steeds meer parlementsvrije zones” ontstaan. En áls parlementen mogen stemmen, achteraf, moeten ze die maatregelen wel goedkeuren. Anders brengen ze, volgens de regering, „de euro in gevaar”.

Dit maakt volksvertegenwoordigers witheet. Waar dient een parlement nog voor? Waarom hameren leiders op nationale soevereiniteit als het niet de bedoeling is dat dit iets voorstelt? Anti-Europese partijen buiten dit sentiment dankbaar uit.

Is de euro te redden zónder de Europeanen te verliezen? Die vraag stelt Stefan Lehne, een Oostenrijkse ex-topambtenaar, in een recent artikel voor de Carnegie-stichting. Zijn antwoord: ja, maar dan moeten zittende regeringen hun boodschap over Europa wel radicaal veranderen.

Nu stellen ze zich, bang om kiezers aan anti-Europese partijen te verliezen, op als halve eurosceptici. Ze duwen kiezers méér integratie door de strot met maar één argument: anders breekt de hel los. Maar, aldus Lehne, „op langere termijn kun je de toekomst van Europa niet baseren op angst alleen. […] Een Europees systeem waarin markten aandringen op meer solidariteit terwijl burgers dromen van renationalisatie, overleeft niet.” Hij roept mensen die in Europese waarden geloven en die denken dat het de moeite waard is om die te blijven verdedigen, op om uit de kast te komen.

Voor het eerst in lange tijd is Europa in bijna alle lidstaten een belangrijk thema bij verkiezingen. Velen vallen de euro, ‘Brussel’ en Europa gepassioneerd aan. Dat is niet erg, het is zelfs goed voor het debat. Maar er ís geen debat. Want aan de andere kant ontbreekt de passie. Diegenen die het Europese project verdedigen, gebruiken alleen een rationeel argument: economische noodzaak. Voor een politiek project als Europa, schrijft Lehne, „is dat dodelijk”.

Decennialang hebben burgers Europese integratie passief ondergaan. Van Europa, vertelden politici altijd, werden we financieel beter. Tot midden jaren negentig was dat ook zo. Diepere politieke verklaringen over oorlog en vrede waren onnodig.

Maar toen, net toen de welvaartsgroei voor gewone burgers stagneerde, kwamen de meer politieke Europese projecten: euro, oostwaartse uitbreiding en gezamenlijk asiel- en immigratiebeleid.

Dit waren grote stappen, net nu mensen minder fiducie in de toekomst kregen en bang en conservatief werden. Hierdoor namen zij afstand van Europa. Het sloop er in, onderhuids. Waar was Europa nog goed voor? Politici hadden die vraag serieus moeten beantwoorden. Maar ze deden er, ook om electorale redenen, het zwijgen toe.

Niemand legde uit waarom een verenigd Europa, met al zijn makken, beter was dan géén Europa. Niemand zei hardop dat stabiliteit en een compromiscultuur uiteindelijk beter zijn dan een continent vol jaloerse egocentrische landen.

„We hebben weer echte leiders nodig”, constateert Joachim Bitterlich, oud-adviseur van de Duitse kanselier Helmut Kohl en nu werkzaam voor het Franse bedrijf Veolia. „Politici met ideeën. Launchers, die in gesprek gaan met burgers. Niet om ze naar de mond te praten, maar om ze te overtuigen en perspectief te bieden.”

De eurocrisis kwam dus op een desastreus moment. Politici betalen de prijs voor het feit dat ze de kiezer decennialang hebben verwaarloosd. Mede daardoor is de democratische logica voor veel Europeanen verworden tot de simpele constatering: van Europa worden we financieel niets wijzer, dus weg ermee.

Draghi, EU-president Van Rompuy en anderen zijn bezig een nieuwe structuur voor de eurolanden te bedenken. Met een bankunie én een sterke democratische vertegenwoordiging, desnoods van nationale parlementen. Zij hebben begrepen dat het zo niet verder kan. Dat het een kwestie is van erop of eronder.

Maar de vraag is of ze genoeg tijd hebben om het gapende gat te dichten. Want nog even, en de economen worden zelfs niet meer toegelaten tot het stemlokaal.

    • Caroline de Gruyter