Ik vent mijn eigen twijfels uit Dat is mijn stiel: hardop denken

Cabaretier Theo Maassen werd geroemd in alle recensies voor Met alle respect. Scherpgeslepen cabaret op het allerhoogste niveau, oordeelden de recensenten. De maker is ouder en rustiger geworden, zegt hij zelf. En gelukkiger. „Het is waar dat geluk volstrekt oninteressant is.”

Foto Merlijn Doomernik

Vroeger reserveerde Theo Maassen (45) dagen in zijn agenda zonder afspraken, zonder telefoon. Bedoeld om te schrijven. Meestal deed hij zo’n dag niks anders dan het voor zich uitschuiven. „Ik ben een luie flikker.” Vaak stond er pas om één uur ’s nachts iets op papier. Maar sinds hij vader is geworden – Maassen heeft een dochter van bijna vier – had hij minder tijd en ruimte. Zijn nieuwe programma Met alle respect is tussen de bedrijven door tot stand gekomen.„Het moest in dagdelen, vaak pas ’s avonds om negen uur als ik al helemaal kapot was. Soms had ik maar twee, drie uur. En het rare is: het lúkte! Ik móést wel. Je weet dat je de volgende dag weer vroeg op moet. Ik heb gewoon geen tijd meer om te worstelen. Wel met het leven zelf, maar niet met het schrijven.”

Hij woont allang niet meer in het huis waar we elkaar tien jaar geleden spraken. Die onopvallende hoekwoning uit de jaren dertig kenmerkte zich vooral door een onmiskenbare staat van onttakeling. Het ruitje naast de schuifdeur was gebarsten, en op de muren was met rode en blauwe viltstift de set-up van zijn toenmalige programma Functioneel naakt geschreven, inclusief alle grappen. Handig. Kon-ie tijdens het basketballen in zijn woonkamer mooi de tekst van zijn programma leren. Maar ja, hij is nu vader van een gezin, „de hoeksteen, waarmee ik mijn eigen ruiten heb ingegooid”, dus er moest iets anders komen. Om toch ook te kunnen werken heeft hij in een andere woning een werkplek ingericht. Hier, aan deze tafel, maakt hij de laatste jaren zijn programma’s, samengesteld uit de invallen die hij in de maanden ervoor heeft opgeschreven in schriftjes, op losse papiertjes en achterop bierviltjes. Maassen werkt niet met een concept, met een vastomlijnd plan. „Alleen de titel Met alle respect had ik al. Omdat het zo’n mooi totaal leeg begrip is geworden. Je hoort het voetbaltrainers weleens zeggen: ‘Met alle respect, maar ik ga dus geen trainer worden bij RKC.’ Dan is ‘met alle respect’ uitsluitend een excuus om te beledigen. Daarna kun je kennelijk alles zeggen, hoe respectloos het ook is.”

Je speelt nu bijna twintig jaar. Waaraan merk je dat je vakmanschap is gegroeid?

„Ik vind vakmanschap zo’n beladen woord. Als iemand zegt: je bent echt een vakman, dan zie ik dat meer als een belediging. Het klinkt me te veel als een hoer die heel goed kan aftrekken waardoor je snel klaarkomt. Bij vakmanschap weet je precies op welk moment je even je linkerwenkbrauw op moet trekken om een hardere lach te krijgen. Zulke dingen wéét ik niet. Daarom vind ik acteren voor film ook zoveel interessanter dan het acteren in een zaal. Bij film doe je een scène maar een paar keer, zodat je ’m nooit echt in de vingers krijgt. Bij film zie je eigenlijk altijd de try-out. Ik moet er niet aan denken om dat tachtig keer te doen.”

Vakmanschap is toch juist dat je het kunt reproduceren? Een amateur kan één avond leuk zijn, een vakman kan dat honderddertig keer.

„Toch is reproduceren iets anders. Ik ga regelmatig naar toneel. Acteurs zeggen soms na afloop met een zekere trots: ‘Ach, ik doe het met twee vingers in de neus.’ Dat vind ik verschrikkelijk. Bij het maken heb je inspiratie nodig, maar ook bij het spelen. Inspiratie betekent letterlijk inblazing. Dat is precies wat er moet gebeuren: de woorden elke avond nieuw leven inblazen. Je kunt nooit denken: gisteren deed ik het zo en zo, en dat werkte goed, dus dat doe ik nu weer. Het is juist heel erg in het hier en nu. Het moet elke avond weer opnieuw lukken.”

Lukt het nog weleens níét?

„Als ik mezelf ergens beter in geworden vind is het daarin: met meer concentratie spelen. Vroeger liet ik me makkelijk afleiden door iets wat er in de zaal gebeurde. Ik stond ooit in Gouda. En echt overal werd om gelachen, zonder enige nuance. Ik werd pissig, liet uiteindelijk mijn piemel zien om te kijken of ze daar dan ook om moesten lachen.”

Lachten ze?

Opeens gespeeld ernstig: „Nou, toen schrokken ze toch wel even. Nee hoor, ook toen moesten ze lachen. Nu ben ik iets wijzer. Ik weet niet hoe mensen denken, hoe ze dingen interpreteren. Dan moet ik dat op mijn beurt ook niet gaan interpreteren. Ik moet gewoon elke keer opnieuw zo goed mogelijk mijn verhaal proberen te vertellen. Ik zoek minder het conflict, oordeel minder snel. Misschien komt dat wel doordat je minder testosteron aanmaakt naarmate je ouder wordt.

„De moeilijkheidsgraad van wat ik doe is hoog. Ik moet mensen anderhalf uur in mijn eentje zien te boeien. Terwijl ik goedbeschouwd niet zoveel kan: ik heb geen liedjes, doe geen imitaties, ik sta gewoon mijn verhaal te vertellen. Ik moet echt heel geconcentreerd spelen wil het goed zijn. Begin dit jaar had ik stemproblemen. Praten lukte wel, maar het zat ergens klem. Ik kon niet hard, niet hoog, niet laag. Toen ben ik na twintig minuten het toneel afgelopen. Zoiets had ik nog nooit gedaan. Maar het ging niet, ik was niet in staat om er leven in te blazen.

„Ik ben een vrij klassieke cabaretier, in de traditie van Youp en Freek. In mijn voorstelling vent ik mijn eigen twijfels uit. Dat is iets waar ik erg van hou. Dat vind ik ook bij anderen interessant om te zien. Je hebt mensen die komen met allerlei weetjes en dingen die ze hebben meegemaakt. Dan denk ik al gauw: ja, dat zal allemaal wel. Ik vertel liever over wat ik níét weet. Het bestaan is niet zwart-wit, je perspectief verandert doorlopend. Je wordt ouder; je ontwikkelt je. Je ouders gaan dood, je wordt vader. Het wordt langzaamaan duidelijker wie je bent, en wat je beperkingen zijn.”

Wat zijn jouw beperkingen?

„Dat ik een vrouw en een kind heb is een grote verrijking maar ook een beperking. Tegelijkertijd is het toch datgene waar je naar zocht. Dat zeg ik letterlijk in deze show: dat je op een gegeven moment stopt met zoeken is niet omdat je gevonden hebt wat je zocht, maar omdat je geen puf meer hebt om dóór te zoeken. Tien jaar geleden experimenteerde ik nog veel met drugs. Dat soort dingen doe ik niet meer. Ik blow ook bijna niet meer. Ik leef veel soberder, omdat de omstandigheden dat van mij vragen.”

Ben je zuiniger op jezelf?

„Oók. Ik had vroeger nooit veiligheidsgordels om in de auto. Vanaf de dag dat ik hoorde dat mijn vriendin zwanger was heb ik ze automatisch omgedaan. Omdat ik wil dat mijn dochter zo lang mogelijk een vader heeft.”

Je vertelde in ‘Tegen beter weten in’ dat je na de dood van je ouders weinig anders restte dan zelf maar nieuwe familie te maken.

„Ik beschreef dat ik mezelf zo’n uitgeknipt poesiealbumplaatje voelde, waar de verbindingsstukjes nog aan zaten. En ja, nu heb ik nieuwe verbindingen gemaakt.”

Zijn dochter werd geboren in het huis waar Maassen zijn werkplek heeft. Hetzelfde huis waar drie jaar eerder zijn vader stierf. De laatste zes weken van diens leven woonde hij bij zijn zoon. „Ik vind het een mooie gedachte dat in ditzelfde huis een dierbaar iemand is geboren en een ander dierbaar iemand is gestorven. Daarom zal ik het niet snel van de hand doen.”

Was je erbij toen je dochter geboren werd?

„Natuurlijk. Dan sta je er als man zo onhandig bij. Ik zit normaal gesproken niet om tekst verlegen, maar nu wist ik echt niet wat ik moest zeggen. Een beetje aanmoedigen – ‘Kom op, je kúnt het!’ – zou lachwekkend zijn geweest. Heel vreemd: er gebeurt iets beslissends in je leven en toch ben je daar maar een figurant bij.”

Moest je aan haar wennen?

„Nee, ik voelde direct dat we bij elkaar horen. Ik wist meteen: voor jou ga ik zorgen. Al vind ik het vaderschap net zo leuk als ik het vermoeiend vind. Békaf word ik ervan. Ik heb van nature veel behoefte om bij mijn eigen gedachtes te zijn. Even alleen kunnen zijn, na kunnen denken. Daar hebben kinderen geen boodschap aan.”

Was je er ook bij toen je vader doodging?

„Ja. Dat is in feite precies tegenovergesteld aan een geboorte.” Hij denkt heel lang na, zegt dan: „Het was eigenlijk een heel mooie, intieme gebeurtenis.”

Zijn vader stierf in 2005, aan kanker. Drie jaar eerder was Maassens moeder al overleden, ook aan kanker. Hij had ‘superleuke ouders’ zegt Maassen. Het is nog steeds verdrietig dat ze er niet meer zijn, maar er is in elk geval niks blijven liggen dat uitgesproken had moeten worden. „Vlak voordat mijn moeder geopereerd zou worden, zaten we op haar slaapkamer. Typisch zo’n moment waarvan je weet: stel nou dat er straks iets misgaat, moeten we dan nu nog wat bespreken? Toen zei ze: ‘Het is eigenlijk wel goed zo, hè?’ En zo wás het.

„Bij mijn vader ging dat net zo. Hij heeft tot aan de laatste seconde voor z’n dood voluit geleefd. Fysiek kon hij echt niet meer, maar zijn geest was nog volledig actief. Hij had de laatste jaren in Thailand gewoond. Op de ochtend van zijn dood heeft hij hier op zijn computer nog de Bangkok Post zitten lezen. Hij was ook nog bezig in de biografie van Kennedy. Dat snapte ik niet. ‘Hoe kan dat nou? Je gaat straks dood!’ Tegelijk was het prachtig.

„Ik vond 70 wel vrij jong om dood te gaan. Maar ik heb mijn ouders lang genoeg kunnen meemaken om er mijn verdere leven mee toe te kunnen. Ik wist ondanks het verdriet: ik ben een volwassen kerel die dit aan moet kunnen.”

Heb je lang om ze gerouwd?

„Ik heb me bij allebei met terugwerkende kracht gerealiseerd dat het ongeveer een jaar duurde. Een jaar na mijn moeders dood dacht ik: wat drink ik eigenlijk veel. Totdat ik inzag: het is verdoving. Toen hield ik ermee op, als bewuste afsluiting van de rouwperiode.”

Wat is er daarna voor jou veranderd?

„Je doet zolang je ouders leven toch je best om te zorgen dat ze trots op je zijn. Opeens doet dat er niet meer toe. In die zin ben je autonomer.”

Nu zijn alleen hij en zijn zus Judith over van het gezin van vroeger. Hun broertje stierf al veel eerder, op zijn zestiende, aan leukemie. „Het staat bij ons thuis 3-2 voor de dooien”, vatte hij in Tegen beter weten in de situatie bondig samen. „En ik heb al zo’n idee wat de einduitslag gaat worden. Ik ga zelf ook dood. Ik weet alleen niet precies wanneer en waaraan. Hoewel ik mezelf niet echt een type vind voor baarmoederhalskanker.”

In de tuin van zijn woonhuis heeft hij de grafstenen staan van zijn moeder en zijn broer, meegenomen van de begraafplaats. „Vlak naast de groenbak.” En in zijn werkkamer bewaart hij de urn van zijn vader. Hij staat op, tilt een donkerbruine vaas uit de kast. „Dit is ’m.” Nee, zo’n urn heeft voor hem niks griezeligs. De urn is ’s zomers een probaat hulpstuk tegen het dicht waaien van zijn balkondeur. Zo houdt z’n vader postuum de deur nog voor hem open. Op gemaakt plechtige toon: „Ik weet zeker dat m’n vader hier helemaal achter staat.”

Vertel je je dochter over je ouders?

„Ze weet dat ze een opa en oma heeft die dood zijn. Maar ze heeft ook twee hamsters die dood zijn.”

Theo Maassen met vrouw en kind, dat klinkt alsof je dicht in de buurt komt van geluk. Is dat gevaarlijk voor een cabaretier?

„Het is waar dat geluk volstrekt oninteressant is. Je hebt conflict nodig bij elk verhaal dat je vertelt. Comedy is a man in trouble. Ik zie mezelf toch als een verhalenverteller die moet putten uit zijn eigen leven. Ik vraag me af of ik een totaal verzonnen programma zou kunnen maken met onzinverhalen. Het moet oprecht zijn. Ik zie weleens een singer-songwriter die over een verloren liefde zingt, terwijl ik weet dat-ie al twintig jaar bij dezelfde vrouw is en hartstikke gelukkig is. Dan verliest het alle geloofwaardigheid.

„Ik zit in mijn programma’s veel te klagen, probeer grappig te mopperen. Maar dat zijn wel de dingen die mij op mijn slechte dagen werkelijk dwarszitten. Ik kan er soms ontzettend van balen dat ik niet kan doen waar ik zin in heb, dat ik me opgesloten voel in de situatie. Een gezin is ook beklemmend.”

En wat krijg je ervoor terug?

Zijn hoofd omklemmend, in theatrale wanhoop. „Wat moet dit in gódsnaam voor interview worden?…” Dan onverwacht ernstig: „Is dat niet wat ieder mens heeft? You can’t have it all. Ik heb nu mensen bij wie ik geborgenheid vind, die belangrijk voor me zijn. Een vriend van me is los. Die kan doen wat hij wil. Die vrijt met allerlei vrouwen, gebruikt drugs. Maar dat trekt me toch niet meer. Langzaamaan word je rustiger. Minder driftig ook. Ik kon vroeger heel driftig worden.”

Doel je ook op de akkefietjes die je regelmatig had?

„Ja. En dat zijn dan nog de akkefietjes die bekend zijn geworden. Naarmate je zelf bekender wordt komen dingen eerder onder een vergrootglas te liggen. Daarom ga ik tegenwoordig veel naar Scandinavië om daar mensen in elkaar te beuken. Moet je maar ’ns ‘Theo M.’ googelen in combinatie met ‘Zweden’ of ‘Noorwegen’… Je weet niet wat je ziet.”

Maar die drift is minder geworden.

„Ja. Dat is de combinatie van ouder worden en een kind hebben. Ik heb geen zin om ruzie te maken, zeker niet met mijn kindje erbij. Ik heb betere remmen. In het openbaar en thuis.”

Thuis?

„Nou ja, ik heb niet zo snel ruzie met iemand om wie ik niets geef.”

Toch smeet je een dure camera kapot van iemand die tijdens je voorstelling fotografeerde.

„Ja, want ik geef namelijk heel veel om mijn voorstelling. Die probeer ik te beschermen en te bewaken. En soms ben ik iets te waaks. Als ik vroeger zag dat iemand iets op straat flikkerde, dan zei ik er wat van. De gevolgen konden me niks schelen, ook niet als dat op vechten uitdraaide. Nu is dat anders.

„Laatst zag ik ’s nachts een groepje van vijf jongens bij mijn favoriete stripwinkel rondhangen. Een van die jongens – een grote dronken vent- stond tegen de ruit te pissen. Vroeger was ik daar bovenop gesprongen. Nu denk ik: het is wel goed, ik ga naar huis. Een ander soort risico inschatting.”

Kan het je ook minder schelen dan vroeger?

„Het kan me juist méér schelen. Vroeger maakte de wereld me wat uit tot ik zelf tachtig zou zijn. Nu is de tijdsspanne door mijn dochter aanzienlijk opgerekt. Het is belangrijker dan ooit dat het goed blijft gaan. Maar in dit concrete geval dacht ik: dat is me het vechten niet waard.”

Ben je op het toneel ook voorzichtiger geworden?

„Nee.”

Voelde je je na de moord op Theo van Gogh geremd om onderwerpen aan te snijden?

„Nee. Ik heb me nooit onveilig gevoeld. Iedereen heeft het over moslims die kwaad worden als je Allah beledigt. Maar wat dacht je van voetbalhooligans of Hell’s Angels? Ik kan zo allerlei dingen verzinnen die ertoe zouden kunnen leiden dat ik in elkaar geslagen word of misschien wel doodgemaakt. De profeet Mohammed ligt gevoelig, maar de F-side net zo goed. Dat geldt zelfs voor mijn eigen vrouw. Als ik dingen op het podium roep, kan zij ook zeggen: ‘Ja hallo zeg, Theo, dat pik ik niet.’ Het is juist mijn vak om heel goed na te denken over de woorden die ik uitspreek. Om daarmee te spelen.”

Jij maakt in je programma wel echte statements, bijvoorbeeld tegen de PVV.

„Omdat ik zo de pest heb aan het voeden van die angstcultuur, van de angst voor de islam. Mensen zijn veel te bang. Dat is zo afschuwelijk aan die PVV, aan dat Ik hou van Holland-sentiment; er wordt een soort Nederland gesuggereerd dat nooit bestaan heeft. Problemen zijn er altijd geweest. Je creëert een afschuwelijk soort mens die alles wat aan verworvenheden bestaat vanzelfsprekend vindt en woedend is over alles wat minder goed geregeld is. Dat laatste is bovendien altijd de schuld van anderen.”

Heb jij daar als cabaretier een taak in?

„In zijn algemeenheid niet. Jochem Myer maakt alleen maar flauwekul, en ik vind hem toch fantastisch. Het hoeft dus niet. Maar ik heb zelf wel de behoefte om het er over te hebben. Ik wil toch proberen mensen te verbinden. Ik geloof nog steeds in contact maken met elkaar. Het programma heet Met alle respect, een ongelofelijk vaak misbruikt woord. Dat roepen die rondhangende jochies op straat ook steeds: ‘Respect!’ Ik denk dat ze iets anders bedoelen. Ze willen gezíén worden. En gelijk hebben ze.”

Jij bent verbonden aan de Comedy Train. Vorig jaar werd cabaretière Floor van der Wal doodgereden door een auto met jonge Marokkanen die keihard door rood was gereden. Ondermijnt zoiets je begrip niet?

„Ik kan dat toch niet anders zien dan als een op zichzelf staand afschuwelijk incident. Natuurlijk zijn er feitelijkheden: Marokkaanse jongens zijn oververtegenwoordigd in de criminaliteit. Ook omdat ze deel uitmaken van de laagste sociale klasse. Daarmee wil ik niks goedpraten. Maar ik had nooit gedacht dat ik in een land zou leven waar geen criminaliteit bestond.”

Je was een tijd geleden in De Wereld Draait Door in debat verwikkeld met Prem Radhakishun. Die beweerde dat hij een inbreker in zijn huis dood zou kunnen schieten. Jij was het daar fel mee oneens. De dag erna twitterde Hans Teeuwen: ‘Laten we allemaal de computer de deur uitdoen en meningen mijden en praten over vriendschap en liefde. Intellectuele luiheid brengt vrede. Scherp debat leidt tot moord. En wie wil dat nou? Kusjes, Hans Teeuwen.’

„Ik heb geen computer, heb het niet gelezen maar er wel over gehoord. Het verbaasde me niet. Maar het raakte me ook niet. Laat ik het zo zeggen: Hans en ik denken over veel dingen anders.

„Ik sta daar op het toneel behoorlijk als mezelf, met alle twijfels vandien. Daarmee maak ik mezelf bewust kwetsbaar. Met Functioneel naakt in 2002 lukte het me voor het eerst om echt te zeggen wat ik wilde zeggen. Dat had ook te maken met het experimenteren met lsd en paddenstoelen. Daardoor gebeurt er iets in je hoofd. Als je denkt worden er bepaalde verbindingen in je brein gemaakt. Na verloop van tijd bewandel je steeds weer hetzelfde paadje, min of meer zoals je in de supermarkt steeds dezelfde route langs de schappen loopt. Met lsd en paddo’s betreed je opeens heel andere weggetjes. En de vertrouwde paadjes worden uitgewist. Misschien dat je daardoor minder narrow minded wordt en gaat snappen dat jouw eigen waarheid maar een invalshoek is. Daardoor krijg je een veel breder palet tot je beschikking. Je beweert iets, zegt daarna: ja, maar wacht even, dat klopt niet, want…. Voor je het weet ben je op dat podium hardop aan het denken. Dat is mijn stiel geworden: hardop denken. Ik durf de twijfelaar te laten zien. Achteraf kun je dat in die zeven programma’s goed vaststellen: je ziet een jongen veranderen in een man. En ooit zal die man op zijn beurt veranderen in een oude man. Dat zou ik in elk geval wel mooi vinden. Theo Maassen die op het toneel vertelt over zijn prostaatproblemen.”

    • Coen Verbraak