‘Ik ben op zoek naar tegenlicht’

Museumdirecteur Benno Tempel eet een grote salade in de museumtuin en praat over de tv-wedstrijd De nieuwe Rembrandt. ‘Kunst is hard werken.’

Benno Tempel in ‘zijn’ Haags Gemeentemuseum. „Kunst valt uit te leggen.” Rechts: Victory Boogie Woogie van Piet Mondriaan

Het Haags Gemeentemuseum ‘adopteert’ elk half jaar een stadswijk. Bewoners krijgen een half jaar gratis toegang tot het museum, en op hun verzoek worden speciale avonden georganiseerd. Vorig jaar was Leidschenveen-Ypenburg aan de beurt, nu Laak. Voor Lakers is het vaak hun eerste museumbezoek. En dat vindt Benno Tempel (40), de directeur van het Gemeentemuseum, het allerleukst. Dan wordt hij een zendeling. En terwijl hij erover vertelt, wordt hij het weer.

Hij doet voor wat er dan zoal gezegd wordt over de Victory Boogie Woogie van Piet Mondriaan, topstuk van het museum.

„Zoveel geld voor zo’n lelijk ding.”

„Het is niet eens af.”

„Kijk, de plakkertjes zitten er nog op.”

„Dat kan een kind.”

„Mensen zeggen nooit: dat kan ik ook. Ze weten dus heel goed dat ze zelf zo’n schilderij niet kunnen maken. Dan vraag ik of ze van muziek houden. Ik laat ze zien dat in Mondriaans werk ook ritme en beweging zit. Een man vertelde dat hij schilderde op nummer met Ravensburger. Mondriaan deed hetzelfde, zei ik toen. Alleen stonden er in zijn vakjes geen nummers, maar koos hij zelf de kleuren. Vond die man razend knap. Ineens was het het mooiste schilderij dat hij ooit gezien had.”

„Om van kunst te houden, zeker van moderne kunst, heb je bagage nodig. Kennis én doorzettingsvermogen om het te begrijpen. En daarna de reflectie om te kunnen zeggen: ‘dit is prachtig’.”

Waar hij maar kan, deelt Benno Tempel kennis uit. Op dinsdagavond doet hij het op televisie in het programma De nieuwe Rembrandt. Hij zit in de jury die op zoek gaat naar nieuw kunstenaarstalent. Hij doet het met de zomertentoonstelling Anoniem gekozen, nu voor het tweede jaar, waarvoor iedereen (kunstenaar én amateur) werk naar het gemeentemuseum mag sturen. De beste stukken worden tentoongesteld. En dan is er nog het door hemzelf geschreven boek dat net uit is, Ontdek het moderne, waarin hij schrijft over de collectie van zijn museum.

Voor een zendeling is hij niet eens zo drammerig. Ja, van tevoren vond ik het wél een beetje makkelijk dat hij het museumrestaurant koos als lunchlocatie. Maar als we eenmaal in de zonovergoten binnentuin zitten, heb ik er snel vrede mee. Hij koos het, zegt Benno Tempel, omdat Brasserie Berlage het allereerste museumrestaurant in Nederland was. Ontworpen door architect Hendrik Berlage en geopend in 1935, zeer tegen de wens van de Haagse gemeenteraad. „Zoiets plats als eten en drinken vonden de socialisten niet passen bij de hoge kunsten.” Berlage wilde ook een bioscoop, een theaterzaal, een zwembad en een hotel bouwen. „Maar het was crisistijd, dus dat ging niet door.” Van zijn oorspronkelijke plan voor een ‘cultuurzone’ is hooguit eenderde gerealiseerd.

In crisistijd een museum neerzetten, dat zou nu niet snel gebeuren.

Maar in crisistijd, zegt Benno Tempel, moet je juist in kunst investeren. „Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam is ook uit die tijd. De socialisten vonden kunst belangrijk. Zij dachten dat kunst het volk vormt en verheft.” Verheffing gaat niet vanzelf, zegt Benno Tempel. „Daar is opvoeding voor nodig.”

Dat brengt ons op zijn opvoeding. Tweede kind uit een gezin van vier uit Harderwijk. Gereformeerd. Moeder huisvrouw, vader had een handel in bruin- en witgoed aan huis. Klinkt niet heel kunstzinnig. Benno Tempel: „We gingen wel naar historische musea.” Voor hem geen „voetbal op de straten van een nieuwbouwwijk”, maar lezen en leren analyseren en interpreteren. Te beginnen met de Bijbel. Het bijbehorende geloof heeft hij niet meer, maar van die bijbelkennis heeft hij nog altijd profijt. „Zoals oud-directeur Henk van Os van het Rijksmuseum zei: of je ziet op een schilderij alleen een herder met zijn kudde, of je ziet dat het ook een religieus thema is.”

Zelf voedt hij een tweeling op van bijna zeven, een jongen en een meisje. „Ze zijn nog jong, maar ik leer ze nu al te reflecteren. Op wat ze voelen en vinden en waarom. Waarom ben je boos? Waarom vind je wat je vindt.” Dat vermogen tot reflectie, begrijp ik, heb je nodig om kunst te kunnen waarderen.

Ineens kijkt hij naar boven. We knipperen tegen de zon in. „Het licht is hier heel anders.” Anders dan in Amsterdam, waar hij kunstgeschiedenis studeerde en conservator was bij het Van Goghmuseum. Anders ook dan in Rotterdam, waar hij voor de Kunsthal werkte. Net als ik wil zeggen dat het licht heus heel mooi is, excuseert hij zich en zegt dat hij „gedeformeerd” kijkt. „Ik let altijd op het licht. Ik zie of het diffuus is. Scherp of juist nevelig.”

Er zijn kunstenaars die zeggen dat hij kijkt als een negentiende-eeuwse kunstenaar. (Hij is gepromoveerd op negentiende-eeuwse kunstkritiek.) „Ik ben op zoek naar tegenlicht.”

Kapotte televisie

Terug naar vroeger, naar zijn eigen opvoeding. Over de overeenkomsten tussen het werk van zijn vader en het zijne. „Mijn vader bezocht zijn klanten vaak thuis. Boerenbedrijven in de omgeving. Het soort klanten dat geen trek heeft om een kapotte televisie naar een jochie met een stropdas te brengen die het ding moet terugsturen naar de fabriek. Die mensen wilden kwaliteit en persoonlijke service. Dat kwam mijn vader brengen, en ik ging mee. Zo heb ik geleerd praatjes te maken. Het ijs te breken. Gewoon even babbelen met iemand die je niet kent. Thuis nam ik de telefoon aan, met ernaast een opschrijfblok met carbonpapier om notities te maken. Ik ontving de klanten als mijn ouders er niet waren.”

En precies dat doet hij in het museum ook. „Hier staan elke dag klanten aan de voordeur.” En elke dag loopt hij tussen zijn bezoekers. Zijn kantoor zit op de eerste verdieping van het museum. „Zelfs als ik naar de wc ga, moet ik over zaal.”

Draagt hij daarom een pak en een das, om wat meer gezag uit te stralen? Voor een museumdirecteur is hij vrij jong – hij is net 40 geworden. Hij houdt van het formele, zegt hij. Den Haag is het centrum van de macht, regelmatig loopt er een ambassadeur het museum binnen, of iemand van het Koningshuis. „Die kan ik niet ongeschoren gedag komen zeggen.” Nu draagt hij een mokkabruin pak, met een mosgroene das met mosterdgele bloemen.

Hij druppelt tabasco in zijn tomatensap. Het tv-programma De nieuwe Rembrandt, waarvoor hij jurylid is, wordt ook wel Idols voor kunstenaars genoemd, of So you think you can paint. „Er wordt soms wat smalend over gedaan. Maar mij gaat het erom meer begrip en waardering te kweken voor hedendaagse kunst. Kijkers zien dat kunst niet gemaakt wordt na een goddelijke ingeving, maar dat het gewoon hard werken is.”

Tien kunstenaars – onder anderen een schilder, een videokunstenaar, een keramiste – moeten binnen twee dagen een opdracht afronden. „Onmogelijk, zeker voor een schilder die altijd met olieverf werkt. Dat is te tijdrovend. Ze moeten zich een totaal andere discipline eigen maken. Ongeveer alsof ik van de ene op de andere dag directeur van een melkfabriek moet worden. Bij kunstenaars gebeurt iets ongelofelijks. Je ziet ze de ommezwaai maken. Niet chagrijnig dat ze iets totaal anders moeten doen dan ze gewend zijn, niet klagen, niet in paniek. Nee, ze gaan aan de slag. Een verademing. Die flexibiliteit, die creativiteit, dat heeft de samenleving nodig.”

En dat wil hij laten zien.

Kunst, zegt hij, is geen entertainment. Het is niet bedoeld als verstrooiing of als luxe, niet iets wat je in economisch mindere tijden even niet kunt doen. „Kunst verrijkt.”

Dus ja, noem hem gerust een zendeling, al heeft hij het zelf liever over uitleggen. „Kunst valt uit te leggen. Maar niet als je het doet zoals kunsthistorici doen.” Kunst indelen in stromingen, dat snapt niemand meer. En dan die „encyclopedische musea” die alles van elke stroming aan de muur hangen. Het Louvre in Parijs, het Metropolitan in New York of Londen. Machines zijn het, fabrieken. „Je staat ervoor en je bent al moe. Zo veel. Zo saai. Zo slaafs.”

Hij probeert het op mij uit: uitleggen wat kubisme is, zonder een woord jargon te gebruiken. „Picasso zei dat kubisme een parfum is dat je omgeeft. Het is voor je, achter je, boven en onder.” Hij maakt met zijn handen een cameralens voor zijn ogen. „Ik zie nu alleen je voorhoofd. Maar ik weet dat er ook een neus is, een mond en een achterhoofd. Picasso schilderde niet wat hij zag vanuit één perspectief, maar wat te zien is vanuit verschillende hoeken. Fragmentarisch. Het gezicht op zijn kop, een neus en een oor ergens anders. Alsof hij een nieuwe taal had bedacht en experimenteerde met de plek van de woorden. Binnen zes jaar ontstond wat nu abstracte kunst heet.”

Gruwelen

In het museum van Benno Tempel zijn er geen stromingen. Schilderijen zijn gegroepeerd op thema, of op kleur. „Het gaat om wat het bij je oproept.” Dat is niet hetzelfde als iets mooi vinden. „Juist iets lelijks kan indrukwekkend zijn.” Hij doet toch een greep in het jargon als hij zegt dat „we sinds de Romantiek hangen aan het sublieme”. „We willen spanning en emotie voelen bij kunst. Huiveren. De katholieken begrepen dat heel goed. Die schilderden de lijdensweg van Christus in veertien stadia, liefst zo bloederig mogelijk. In dat gruwelen zit ook genot. Het appelleerde perfect aan emoties, ook ongeletterden begrepen het precies.”

Ongeletterd is bijna niemand meer. Hooguit onwetend. „De beste manier om kunst te begrijpen, is door het zelf te maken.” Vandaar de zomertentoonstelling met werk van anonieme kunstenaars. Is hij niet als de dood dat er stiekem een gerenommeerd kunstenaar meedoet, en dat hij zijn werk niet herkent? Laconiek: „Dat kan.” Of dat hij een kindertekening aanziet voor een groots kunstwerk. „Misschien.” Grosso modo, zegt hij, haalt hij de ‘echte’ kunst er wel uit. „Een Cobra-schilderij is echt wat anders dan een kindertekening. Als Karel Appel een lijf tekent met een hoofd en harkjes als handen en voeten, lijkt het misschien op hoe een kind een kopvoeter tekent. Maar als je goed kijkt, zie je dat Karel Appel heel goed kon tekenen. Ambachtelijk. Zijn kopvoeter heeft een gezicht. En dat gezicht heeft expressie.” Daarom vindt hij het zo fijn als mensen zeggen: dat kan een kind. „Dan kan ik uitleggen waarom een kind het niet kan.”