Forens onbillijk belast

Van de vele lastenverzwaringen die het Lenteakkoord voor burgers en bedrijven in petto heeft, is de afschaffing van de onbelaste reiskostenvergoeding in het woon-werkverkeer het meest besproken en vermoedelijk ook het meest omstreden.

Daar is ook wel aanleiding voor, want het gaat hier om een belastingverhoging waarvan de billijkheid ver te zoeken is. Een ander argument dan dat de schatkist snel geld nodig heeft om het begrotingstekort te verkleinen, is er eigenlijk niet.

Politici voelen de impopulariteit van deze voorgenomen maatregel ook wel aan. Ze haasten zich om te zeggen dat ze het ook niet ‘leuk’ vinden om zo’n greep in de portemonnee van de forens te doen. Zeker niet in een jaar waarin de verkiezingen naderen.

Daarbij gaat niet iedereen nauwkeurig met de waarheid om. Zo mocht het voormalig Tweede Kamerlid Boekestijn van de VVD onweersproken op televisie (EenVandaag) beweren dat deze belastingmaatregel was ingebracht door GroenLinks, de fractie die met VVD, CDA, D66 en ChristenUnie en met het kabinet het Lenteakkoord had gesloten. Maar het afschaffen van de onbelaste reiskostenvergoeding was ook al deel van het Catshuisakkoord dat VVD en CDA met elkaar en bijna met de PVV hadden gesloten. De opbrengst ervan was daarin zelfs met een nog hoger bedrag (1,9 miljard euro) ingeboekt dan in het Lenteakkoord (1,3 miljard).

De argumenten die tegen deze belastingverhoging voor forensen pleiten, zijn bekend. Kabinet en fracties hebben haar gekoppeld aan een blijvende verlaging van de overdrachtsbelasting. Op die manier zou het de reizende werknemer aantrekkelijker worden gemaakt om in de buurt van zijn bedrijf een huis te zoeken.

Dat ze daar nu soms ver vandaan wonen, heeft te maken met het ruimtelijk beleid van achtereenvolgende kabinetten. Vele Nederlanders hebben zich daardoor in Almere, Zoetermeer en andere groeikernen gevestigd. Maar nu zit de koopmarkt ‘op slot’; verkopende huiseigenaren lopen het risico met een rest- schuld te blijven zitten. De suggestie van partijen als GroenLinks dat het hier om een ‘vergroening’ van het belastingsysteem gaat, is dan ook al te theoretisch. Bovendien is er het probleem van tweeverdieners die in verschillende plaatsen werken. Grotere participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt – kabinetten en partijen hebben er zich met goede redenen een warm voorstander van getoond.

Maar er is ook een meer principieel bezwaar aan te voeren tegen deze belastingverhoging. Het gaat hier om een onkostenvergoeding die is gebaseerd op een afspraak tussen werkgever en werknemer. Reële onkostenvergoedingen zijn geen inkomen en horen dus niet te worden belast. Tenzij het om overmatige vergoedingen gaat, die in wezen een bestanddeel van het salaris vormen, zoals een auto van de zaak. Maar zolang het kosten betreft die werkelijk ten behoeve van het werk zijn gemaakt, is er geen argument waarom het Rijk zich daarin zou moeten mengen.

Mutatis mutandis is het dus wel te rechtvaardigen als het reiskostenforfait zou worden afgeschaft. Dat is het bedrag dat de werknemer nu van zijn inkomstenbelasting mag aftrekken als de werkgever zijn reiskosten niet (geheel) betaalt en als hij met het openbaar vervoer reist. Als werkgever en werknemer over een reiskostenvergoeding blijkbaar geen akkoord hebben bereikt, is dat nog geen reden waarom het Rijk, in casu andere belastingbetalers, zouden moeten bijspringen.

Peter Wattel, advocaat-generaal bij de Hoge Raad en hoogleraar Europees belastingrecht, beperkte zich deze week in het Nederlands Juristenblad niet alleen tot de geijkte kwalificatie „ordinaire belastingverhoging”, maar noemde het ook een maatregel „met soms zeer onredelijke individuele gevolgen bij een uit fiscaal oogpunt volstrekt willekeurig bepaalde groep”. Hij heeft gelijk.

Het kabinet tracht terecht een begrotingstekort te realiseren dat de 3 procent niet overschrijdt. Maar het doet er, net als de fracties, wijs aan om een alternatief te zoeken voor deze lastenverzwaring.