Een huisregel: niet praten met gedetineerden

Meer dan een jaar woonde schrijfster Mariët Meester weer in het Drentse gevangenisdorp Veenhuizen, waar ze opgroeide. Vanuit een oude pastorie tekende ze verhalen van oud-inwoners op. Verslag van haar laatste week.

Nederland - Veenhuizen - Drenthe- 24-05-2012 Mari‘t Meester schrijfster die voor haar boek Koloniekak een jaar in de Pastorie in Veenhuizen heeft gewoond. Foto: Sake Elzinga

Donderdag 24 mei

Het heeft iets genoeglijks om de hele dag gedetineerden om je heen te hebben. De pastorie is eigendom van de Rijksgebouwendienst. Er staan twee bouwketen naast, van waaruit gedetineerden het openbare groen onderhouden. We delen de buitenkraan en groeten vriendelijk als we elkaar tegenkomen. Ik ben opgegroeid in Veenhuizen, dus ik ben eraan gewend.

Laatst ben ik met een verdwaalde vrouw op de bagagedrager naar de gevangenis geracet, ze was te laat voor het bezoekuur. Vroeger was er meer contact met de gedetineerden dan nu, op zondag zaten we samen in de kerk.

Ik woon nu zestien maanden in Veenhuizen. Het heeft een non-fictie boek opgeleverd. De presentatie is volgende week, toch komt de uitgeefster alvast een doosje boeken brengen. Mijn portret achterop is donker uitgevallen, dat is een teleurstelling. Voorop staat een foto uit 1933 van een echtpaar met een baby. De baby, nu bijna tachtig, was één van mijn belangrijkste informanten. Het verhaal dat hij me heeft verteld eindigt op 26 februari 1945 abrupt.

Vrijdag

Cadeautjes op bed, het is mijn verjaardag. Al vroeg bellen mijn ouders. Ze worden dit jaar 84 en 82, maar reizen nog steeds de helft van het jaar in hun rode kampeerbus door Europa. Nu zitten ze in Portugal. Misschien komt het daardoor dat leeftijd me weinig zegt. Ik voel me volstrekt leeftijdsloos. Het vervelende is dat anderen je wel op je geboortejaar beoordelen. Weten zij veel dat één van mijn cadeaus een hoelahoep is.

Er zijn tientallen e-mails te beantwoorden. Een paar dagen geleden is in de pastorie het actiecomité ‘Red de monumentale eiken’ opgericht. De provincie Drenthe wil in Veenhuizen 149 eiken omzagen die een eeuw geleden zijn aangeplant door de onaangepasten uit de ‘gestichten’. Jonge boompjes staan netter op een rij, vindt men. Veenhuizen zou dan meer kans maken op een plaats op de Werelderfgoedlijst. Volgens ons comité moet er juist alles aan gedaan worden om deze representanten van de geschiedenis te behouden.

Zaterdag

Ik heb al vaak aan de Rijksgebouwendienst gevraagd of de pastorie geen Schrijvershuis kan worden. Het pand is wit en groot, een klassiek landhuis. Je kunt er ongestoord werken. Vorige week kreeg ik te horen dat ik mag beginnen met bevriende auteurs. Ik heb al één huisregel bedacht: niet met de gedetineerden praten. Ik ken die schrijverstypes, altijd op zoek naar een goed verhaal.

Er is een e-mail van de directeur van het Nationaal Gevangenismuseum, getiteld ‘stiekem’. Hij heeft een doos boeken opengesneden die onder embargo stond, en die voor de museumwinkel bedoeld is. Ik geloof dat het wel goed zit met dit boek. Het bericht is midden in de nacht verstuurd.

Zondag

Bas en Esther van Putten uit Norg op de koffie. Bas is auteur van romans en schrijft ook over auto’s, muziek en de natuur. Hij werkt net zo idioot hard als ik. Ik vertel over het Schrijvershuis. „Ik weet wel iemand voor juli en augustus”, zeggen Esther en hij tegelijk. Na de koffie is het rond. In huize Van Putten ontstaan altijd spanningen als de kinderen tijdens de zomervakanties thuis zijn; in juli en augustus zit Bas als eerste auteur in de pastorie.

’s Middags naar Spijkerboor, waar in een café een programma van RTV Drenthe wordt opgenomen. De voertaal blijkt Drents te zijn, terwijl de titel van mijn boek, Koloniekak, juist te maken heeft met het nette Nederlands dat vroeger in Veenhuizen werd gesproken. De justitieambtenaren kwamen uit het hele land, iedereen in de gevangeniskolonie was ‘import’. In de rest van Drenthe werd dat maar arrogant gevonden. ‘Koloniekak!’

Bij thuiskomst zitten er vrienden uit Groningen in de tuin.

Maandag

Mijn toespraak voor de boekpresentatie in het Gevangenismuseum moet af. Tussendoor komt iemand van Radio Assen me interviewen. Ze is verbaasd dat ik op Tweede Pinksterdag aan het werk ben. Tja, kunstenaars gaan altijd door, ook ’s avonds.

De gedetineerden zijn wel vrij vandaag. Bij het pauzeren in de tuin kan de rok net iets verder omhoog dan anders.

Dinsdag

Contact met twee radioprogramma's, allebei willen ze het eerste interview. Gewoonlijk is De Arbeiderspers mijn uitgeverij, voor Koloniekak ben ik vreemdgegaan met een Drentse stichting. ’s Middags belt de uitgeefster: „Margreeth de Boer heeft afgezegd!” Hè? Wat moeten we nu? Margreeth de Boer is oud-minister van VROM en ook lid van de Raad van Aanbeveling voor Veenhuizen. Ze woont in de buurt en zou het eerste exemplaar van het boek in ontvangst nemen. De presentatie is zelfs speciaal voor haar verschoven. Ik bel Margreeth de Boer. „Op deze manier komt u negatief in de publiciteit.” Dat moet dan maar, zegt ze onverzettelijk. Er is een vergadering tussen gekomen. Ze heeft al iemand anders geregeld om het eerste exemplaar te ontvangen.

Hallo, mag ik dat misschien zelf bepalen?

Woensdag

Wat vreselijk, één van mijn informanten is overleden. Van de zevenendertig oud-Veenhuizers die ik heb geïnterviewd, was Annie Douwes één van de leukste en de liefste. En zeker de origineelste. Ze verheugde zich erg op het boek. Ik stuur het vandaag meteen naar haar zoon, kan hij het nog bij haar kist leggen. De boosheid om Margreeth de Boer is ineens over. Tranen om An.

’s Avonds vergadering van ‘Red de monumentale eiken’. Vijfentwintig stoelen staan in onze woonkamer opgesteld, allemaal gekregen of gevonden. De kroonluchter komt van het grofvuil. We hebben een verkeerskundige, een landschapsdeskundige en een bomenspecialist in ons midden. De eiken zijn nog maar op de helft van hun levenscyclus, als de provincie dat ook gaat inzien krijgt de gedeputeerde van mij een gesigneerd boek!

Na vertrek van het actiecomité een nachtwandeling. Alle Veenhuizer lanen worden omzoomd door bomen. Ik kijk naar die statige wachters omhoog en snap ineens dat er achter onze rationele argumenten iets anders zit, iets bijna onbenoembaars.

Donderdag 31 mei

Ik begin met het maken van een grote pan soep. Dat heb ik van de Roma en Sinti geleerd: altijd voorbereid zijn op onverwacht bezoek.

De boekpresentatie in het gevangenismuseum is overweldigend. Er zijn honderdvijftig mensen. Als ik tijdens mijn speech iets over de bomen zeg, verpakt in een grap, klinkt er collectief gelach. Burgemeester Hans van der Laan, al jaren pleitbezorger voor Veenhuizen, neemt het eerste boek in ontvangst. Waarom heb ik hem niet meteen gevraagd?

Na de presentatie komt een achtentachtigjarige met dochter en schoonzoon naar de pastorie om samen soep te eten.

Zo. Nu maar eens terugverhuizen naar Amsterdam.

    • Mariët Meester