De opmars van de muzikale antistress

Homerus, de femme fatale, het Alhambra, Brancusi. Europa is meer dan de neuro versus de zeuro. In een wekelijkse serie over de cultuur die het continent bindt: Gregoriaanse muziek.

Met Gregorius de Grote heeft het weinig te maken. De 64ste bisschop van Rome (590-604) staat bekend als de belangrijkste paus van de vroege Middeleeuwen – wegens zijn daadkrachtige leniging van de noden van Italië in tijden van oorlog en pest en wegens zijn reorganisatie van de kerk. Maar Gregorius is niet de man die het ‘Gregoriaans’, de muziek van de kerkelijke liturgie, canoniseerde. Het was namelijk pas 150 jaar na zijn dood dat zich in het Karolingische rijk de Gregoriaanse gezangen ontwikkelden – uit het oud-Romeinse misrepertoire en de zogeheten cantus Gallicanus, de koorzang zoals die in Gallië gebruikelijk was. Als je toch een naam aan het Gregoriaans wilt verbinden, dan beter die van Chrodegang, de achtste-eeuwse bisschop van Metz die een belangrijke rol bij die synthese speelde en wiens koorschool tot de beroemdste van Europa zou uitgroeien.

In de christelijke beeldtaal wordt Gregorius de Grote vaak afgebeeld met een duif op zijn schouder, als symbool voor de inblazing van de Heilige Geest. Het tekent de status die aan het Gregoriaans werd toegekend. De eenstemmige zang – a capella, met een vrij ritme en gebonden aan een diatonische toonladder – was de ideale verklanking van de vroomheid van de kerk. Of zoals Helene Nolthenius het formuleerde in Muziek tussen hemel en aarde. De wereld van het Gregoriaans (1981): „Buiten haar muren schamperden heidenen, daverden volksverhuizers, leverden tijden en culturen slag met elkaar. Binnen haar muren leefden bange gelovigen toe naar een troost die [...] zij in alle volheid zagen wachten achter de scheidslijn van leven en dood. Ze zongen zoals ze dachten dat daarginds gezongen zou worden.”

Het Gregoriaans kwam voort uit de hymnes die vanaf de vierde eeuw in de vroege kerkgemeenschappen werden uitgevoerd, afwisselend door verschillende groepen geestelijken (‘antifonaal’). Vooral in de kloosters, waar de Regel van Sint Benedictus een strakke regelmaat aan de liturgie oplegde, werden de gezangen in de koorscholen ontwikkeld en doorgegeven – aanvankelijk mondeling, vanaf de tiende eeuw met behulp van een simpele notatie die werkte met ‘neumen’, die de melodie en de lengte van de gezongen lettergrepen aangaven.

In de elfde eeuw introduceerde de Italiaanse Benedictijn Guido d’Arezzo de notenbalk en het fundament van de muzieknotatie zoals we die kennen. Hij gaf de noten namen aan de hand van de beginwoorden van een bekende Latijnse hymne ter ere van Johannes de Doper: ‘Ut qeant laxis / resonare fibri / mira gestorum / famuli tuorum / solve polluti / labii reatum’ (vrij vertaald: ‘Bewaar uw dienaren voor vuilbekkerij, opdat zij ontspannen uw wonderdaden doen weerklinken’). Dat de ‘toonladder’ van Guido toch anders klonk dan die van Julie Andrews in The Sound of Music (‘Doe – a deer, a female deer / Ray – a drop of golden sun…’) komt doordat men in de Middeleeuwen werkte met zes in plaats van zeven noten. In later eeuwen werd de ‘si’ (afgeleid uit de initialen van Sanctus Ioannes) toegevoegd en herdoopte men voor het zanggemak de eerste noot als ‘do’.

Intussen had het Gregoriaans zich breed verspreid, geholpen door pauselijke decreten die de concurrerende muzikale tradities de nek omdraaiden: in 885 werd de Slavische liturgie verboden en veroverde het Gregoriaans de oostelijke gebieden. In heel Europa zong men op zondag in de mis hetzelfde: van de Introïtus en de Graduale tot het Offertorium en de Communie. Voor speciale gelegenheden waren er de ‘ordinaria’: Kyrie, Gloria, Credo, Sanctus, Benedictus en Agnus Dei. In heel Europa? Nee, in Milaan werd vastgehouden aan de liturgie zoals die door de heilige Ambrosius in de vierde eeuw was geïntroduceerd.

Muzikaal stond het Gregoriaans niet stil; al in de Middeleeuwen werd – aan de koorschool van de Parijse Notre-Dame – de meerstemmige zang ontwikkeld, het zogeheten organum dat een grote invloed had op de polyfonie van de wereldlijke componisten in de Renaissance (Palestrina!) en langzaam maar zeker het eenstemmige Gregoriaans in de mis verdrong. Zozeer zelfs dat de benedictijnen van het Franse Solesmes zich in de negentiende eeuw geroepen voelden om te werken aan een restauratie van de verwaterde Gregoriaanse liturgie. Met succes, want het Gregoriaans heroverde de kerken en bleef daar tot het Tweede Vaticaans Concilie (1959-1965), dat het Latijn in de mis afschafte.

Tegenwoordig leeft het Gregoriaans vooral buiten de kerk. In de eerste plaats in de moderne klassieke muziek, waar componisten als Arvo Pärt en Sofia Goebaidoelina zich er in hun gewijde werken door laten inspireren. Daarnaast in de pop- en wereldmuziek, waar het scala aan ‘Gregoriaanse’ acts loopt van de new age van Era tot de metal van Deathspell Omega; om maar niet te spreken van het gebruik van ‘stemmige’ Gregoriaanse gezangen in griezelfilms (The Omen) en computerspellen (Halo 3). In zijn oorspronkelijke vorm wordt het Gregoriaans trouwens vooral gebruikt als muzikaal antistressmiddel; er zijn theorieën dat het luisteren naar de homofone gezangen rustgevende alfagolven in de hersenen genereert. Dat was in 1994 precies het duwtje dat de Spaanse monniken van Santo Domingo de Silos nodig hadden om met hun cd Canto Gregoriano de top van de hitparade te beklimmen.

    • Pieter Steinz