Brieven over de gezondheidszorg in Nederland

Geld uitgeven aan zorg is geen doel op zich

In het artikel ‘De mannen van de 23 miljard’ (NRC Handelsblad, 26 mei) werd pijnlijk duidelijk dat de gezondheidszorg nog altijd wordt gegijzeld door het ouderwetse denken in zuilen en tegenstellingen. Als we de zorg voor onze kinderen betaalbaar willen houden, zullen we ons denken radicaal moeten omgooien.

‘De verdeling van 23 miljard’ suggereert dat het uitgeven van geld een doel op zich is! Blijkbaar is het nog steeds onmogelijk om de opbrengst duidelijk te maken. De oorzaak hiervan zit ingebakken in de structuur van de zorg. Er is nog altijd een grote scheiding tussen de eerste lijn (huisartsenzorg) en de tweede lijn (ziekenhuiszorg).

Ons land kent zo’n 95 ziekenhuizen die min of meer elke vorm van zorg aanbieden. Dit klinkt mooi, maar we betalen hiervoor een hoge prijs in termen van transparantie, kosten en kwaliteit. ‘Elk ziekenhuis alles’ betekent dat elk ziekenhuis duizenden, zo niet tienduizenden producten en diensten levert.

Ziekenhuizen lijken groot, maar op het niveau van de patiënt doen ze maar heel weinig. Wat kun je verwachten als een instelling 150 borstkankeringrepen, 85 totale heupen en 120 liesbreuken doet en vierhonderd patiënten met hartfalen ziet? Voor elk van deze patiëntengroepen is het volume te klein om echt te investeren in een goed systeem van registratie en transparantie. Elke patiëntengroep komt te weinig voor om gespecialiseerde kennis op te bouwen voor het inzetten van technologie en specifieke logistiek.

Klassieke ‘alles voor iedereen’- ziekenhuizen zijn van de vorige eeuw. De enorme kennis die we over ziekten en behandelen hebben opgedaan, rechtvaardigt een veel meer gedifferentieerde aanpak, met aan de ene kant gespecialiseerde, grootschalige klinieken en aan de andere kant individuele zorg door de inzet van technieken als thuismonitoring. Tussen deze extremen zitten kennisintensieve topziekenhuizen – een netwerk van maximaal dertig instellingen die behalve acute opvang de complexe en zeldzame zorg aankunnen. Dan hebben we een systeem waarin je op basis van inhoudelijke argumenten komt tot keuzes en prioriteiten, een systeem dat weet wat het kost en wat het oplevert. Zo kan de zorg gemakkelijk 20 tot 30 procent goedkoper.

Hoe bereiken we dit? Ik geloof sterk in de innovatiekracht van ondernemerschap. In deze moeilijke tijden kun je dit soort megaomwentelingen niet realiseren zonder privaat kapitaal. De gevestigde belangen zijn vastgeroest, maar laten we het eerst eens zijn over wat we willen dat de zorg oplevert.

Jaap Maljers

Ondernemer in de Nederlandse zorg sinds ruim twintig jaar, Amsterdam

Neem een voorbeeld aan antirookcampagne

In NRC Handelsblad van 26 mei stonden verstandige ideeën over de mogelijkheden om de kosten van de gezondheidszorg te beperken, maar de belangrijkste mogelijkheid werd niet genoemd – een verandering van het evenwicht tussen curatieve en preventieve geneeskunde.

De eerste die heeft getoond dat op dit gebied veel kan worden bereikt, was Lenze Meinsma met zijn acties tegen het roken. Hij beschikte over 2 procent van het reclamebudget van de tabaksindustrie. Toch is het aantal rokers sterk gedaald in de periode waarin hij zijn acties voerde en hiermee het aantal sterfgevallen aan bijvoorbeeld hartziekten en longkanker. Een voorzichtige schatting van het bedrag dat het hem heeft gekost om een sterfgeval te voorkomen, is tweeduizend gulden.

Hopelijk krijgen we na de volgende verkiezingen weer een minister van Volksgezondheid die de gezondheid van ons volk zo veel mogelijk wil bevorderen en dus acties als die van Meinsma financieel mogelijk maakt.

A.W. van den Ban

Wageningen

Een arts is hulpverlener, geen ‘zorgaanbieder’

Volgens Wouter Bos – en vele anderen – is de zorg aanbodgestuurd (NRC Handelsblad, 26 mei). Hierover zal hij anders denken als hij zich in het holst van de nacht met pijn op de borst meldt bij de spoedeisende hulp van het dichtstbijzijnde ziekenhuis. Dan wordt hem professionele hulp verleend, niet aangeboden.

De politiek wil dat verpleegkundigen, artsen en ziekenhuizen zich gedragen als marktpartijen. Vooral medisch specialisten worden gezien als concurrerende kooplui die shoppende klanten – cliënten, geen patiënten – aantrekkelijke zorgproducten aanprijzen. Natuurlijk is niet iedere arts een voltijdse idealist, maar werkers in de gezondheidszorg zijn van huis uit zorgverleners. Hen zorgaanbieders noemen is even misplaatst als bankiers uitmaken voor zakkenvullers en politici voor baantjesjagers.

Jan van der Meer

Internist n.p., Nes aan de Amstel