Belastingvrij reizen bestaat al sinds 1951

De onbelaste vergoeding voor woon-werkverkeer dateert uit de tijd van de woningnood. Decennialang was de regeling geen punt van politieke discussie. Later kregen treinreizigers extra voordeel.

Het besluit van de vijf partijen om de reiskostenvergoeding voortaan te belasten, is politiek. De aanleiding om die reiskosten ooit aftrekbaar van de belasting te maken, was dat niet. Tot 1951 heerste in Nederland de opvatting dat ieder vrij is in de keuze van zijn woonplaats, en dat die keuze losstaat van de plek waar men werkt. In april dat jaar deed de Hoge Raad een uitspraak die daarin verandering bracht.

Reiskosten die voortvloeiden uit „een algemeen werkende oorzaak”, stond in het arrest, moesten aftrekbaar zijn voor werknemers. Specifieke reden was de grote woningschaarste van dat moment. Het woningtekort in Nederland maakte het mensen lastig om dichter bij hun werk te gaan wonen. „Het was in die tijd geen keuze om ver van je werk te wonen. Dus werden kosten voor woon-werkverkeer vanaf toen als zakelijk gezien”, zegt Leo Stevens, emeritus hoogleraar belastingrecht.

Voor de Belastingdienst waren de consequenties van deze uitspraak bepaald niet handig. Want de omstandigheden waaronder werknemers aanspraak maakten op aftrek van de reiskosten, verschilden natuurlijk van persoon tot persoon. Daarom besloot Financiën in 1964 om álle kosten van woon-werkverkeer in principe aftrekbaar te maken. Dus ook als die reisafstand alleen op persoonlijke overwegingen stoelde. Het type vervoermiddel maakte ook niets uit.

De aftrekbaarheid van reiskosten was daarna decennialang amper punt van politieke discussie. Tot het tweede kabinet-Lubbers over deze regeling struikelde. In 1990 scherpte Financiën de regels iets aan.

Werknemers die met het openbaar vervoer naar hun werk gingen, kregen uit milieuoverwegingen voordeel. De werkgever mocht al hun kosten belastingvrij vergoeden. Werknemers die met de auto gingen, kregen een maximumbedrag per kilometer (nu 0,19 cent). Stevens: „Bij het verbruik maakt het nogal uit of je met een Porsche of Volkswagen naar je werk rijdt.” Ook kwam er een drempel: pas boven een reisafstand van 10 kilometer tussen woning en werk was aftrek mogelijk. Dat scheelde veel kleine aftrekposten.

In 2001 perkte Financiën de aftrek verder in. Alléén werknemers die met openbaar vervoer reizen, mochten nog zelf hun reiskosten aftrekken – voor automobilisten moest de vergoeding via de werkgever lopen. Dat was de laatste aanscherping tot het begrotingsakkoord van vorige week.

Na de verkiezingen zal blijken of het nieuwe kabinet ook vindt dat woonplaats en werkplaats los van elkaar te zien zijn. Net als voor 1951.