Beierse warmte na woede en schaamte

Jan Wouters speelde in ’88 de beladen halve finale tegen Duitsland en ging daarna naar Bayern München. Het ‘beest’ Wouters, zoals hij zichzelf omschrijft, bestaat niet meer. „Als ik in de auto zat nadat ik weer eens was doorgeslagen, dacht ik: ‘Jonge jonge… wat ben je toch een gek’.”

Jan Wouters (51) denkt vrijwel nooit meer aan het EK van 1988. Het is hooguit nog een onderwerp omdat anderen hem er vaak op aanspreken. „Ik ben niet iemand die thuis de beelden nog eens opzet. Ik heb mijn eigen beelden in mijn hoofd.”

En dat zijn vaak de momenten die op het oog weinig spectaculair zijn. De handdruk van de Rus Vasili Rats bijvoorbeeld, vlak na de finale die Oranje won. Wouters had jaren eerder met FC Utrecht tegen Dinamo Kiev gespeeld. „Dat was nagenoeg hetzelfde elftal als tijdens het EK. Na die finale kwam Rats op me af, gaf me een hand en zei: ‘Oetrekt!’ Middenin die heksenketel raakte me dat toch even. Mooi dat die man daaraan dacht.”

Die finale was schitterend natuurlijk. Maar dé klapper van dat EK was de wedstrijd tegen de West-Duitsers. Ook voor de spelers, zegt Wouters. „Je voelde aan alles hoe beladen dat duel was. De laatste trainingsdag voor de wedstrijd verliep extreem geprikkeld. Hans van Breukelen probeerde ons te coachen, maar was zelf zo gespannen als wat. Het had met meerdere dingen te maken. Allereerst toch dat Calimerogevoel waar we allemaal last van hadden: wij tegen dat grote Duitsland. Daarnaast het sentiment dat je van huis uit had meegekregen: de geschiedenis, de oorlog. Maar de hoofdreden was toch de verloren finale van 1974. Ik was toen veertien, zat er met mijn ouders naar te kijken. En ik weet nog zo goed hoe hard ik na de finale gehuild heb. Ik was er kapot van. Uiteindelijk ben ik maar naar buiten gegaan en als een bezetene gaan voetballen. Die beelden kwamen heel sterk terug. Dat kwam ook door mijnheer Michels. We voelden allemaal dat we nu iets voor hem recht konden zetten.”

Michels zelf sprak niet in dergelijke termen, zegt Wouters. Hij waarschuwde zijn spelers vooral voor Bild. „Hij zei: ‘Pas alsjeblieft op, want ze liggen allemaal op de loer om rare verhalen over ons te schrijven’. Die aansporing was niet eens nodig. We waren best een braaf ploegje. En hij hamerde steeds maar op de speelstijl van de Duitsers. ‘Denk erom: als wij achter komen, gaan zij tijd rekken en de ene Schwalbe na de andere uitspelen. Zorg dat jullie je daar niet door laten opfokken’.

In de kleedkamer vóór de wedstrijd werd niet veel gezegd. Iedereen was zo extreem geconcentreerd. Mijnheer Michels sprak ons kort toe, en Ruud Gullit nam ook even het woord. En hup, daar gingen we, het veld op.”

„Na de wedstrijd vroegen we: ‘En mijnheer Michels? Maakt dit het een beetje goed? Hij glimlachte. ‘Ja, ik dacht het wel’. Na afloop waren we wel behoorlijk irritant. Elke keer als er een Duitse speler langs onze bus liep, begonnen we te joelen en te treiteren. In feite maakten we alsnog een Calimero van onszelf. Daarom was het zo sterk van Beckenbauer dat-ie onze bus binnenkwam. ‘Gratuliere, jullie hebben het verdiend’. Dat maakte diepe indruk. Wat ben je dan een geweldige verliezer. We schaamden ons ter plekke voor hoe we ons gedragen hadden.”

„Iedereen heeft het altijd over wat Ronald deed met dat shirt van Olaf Thon. Ik weet dat het niet zo kwaad bedoeld was. Het was eerder een uit de hand gelopen grap. Later speelde ik met Thon. Hij vond het bepaald niet leuk wat er gebeurd was. ‘Ik snap het gewoon niet. Koeman is toch een groot voetballer?’ Ik zei: ‘Olaf, je moet het zien als een grap. Het betekende niks. We waren gewoon verschrikkelijk blij dat we van jullie gewonnen hadden. Meer was het niet’.

Bij ons thuis in Utrecht was de oorlog nog echt voelbaar. Als Nederlandse ploegen tegen Duitse ploegen uitkwamen, dan speelden ‘we’ altijd tegen ‘de Moffen’. Al was dat in één klap afgelopen toen ik in 1991 zelf voor Bayern München ging spelen. Mijn ouders waren ontzettend trots op me, altijd al. Mijn moeder was iemand die bij de winkel altijd ongevraagd een foto van haar zoon liet zien. Waar ik mij op mijn beurt dan weer een beetje voor geneerde.”

„De periode bij Bayern was geweldig. Voordat het rondkwam, ben ik er een keer heen geweest. Heb ik met Rummenigge, Beckenbauer en Hoeness om de tafel gezeten. Ik werd daar zo warm ontvangen. Ze lieten aan alles merken dat ze me heel graag wilden hebben. De grootsheid van de club straalde van hen af. Echt een verschil met Nederland. Bij Ajax is het weleens gebeurd dat een nieuwe speler aankwam op Schiphol en dat er helemaal geen ontvangst was. Dat is bij Duitsers ondenkbaar.”

Waar moest u het meest aan wennen?

„Aan de Schwalbes op de trainingen. Je hoefde ze maar aan te tikken of ze begonnen te gillen. Dat irriteerde me mateloos. Ik heb er ook meteen wat van gezegd: ‘Stel je niet aan! Onzin!’ Ik heb het er met Lothar Matthäus weleens over gehad. Hij vroeg zich af waarom hij zo gehaat werd in Nederland. ‘Hoe kan dat nou, Jan?’ Ik zei dat dit zeker door zijn Schwalbes kwam. Daar had ik me als speler ook vaak aan geërgerd. Maar het had ook sterk te maken met het feit dat Matthäus zo’n groot speler was. ‘Nederlanders voelen angst en respect voor je.’ Lothar was een fantastische voetballer. Ik heb nog nooit een speler gezien die zo krankzinnig snel was op de eerste tien meter. Echt ge-wel-dig. En toen was hij toch al 33, 34.”

„Het leven in Bayern was heel prettig. De natuur is prachtig, het is er een paar graden warmer dan in de rest van Duitsland. Het voelde bijna Italiaans. En je werd omringd door zorg. De sportcultuur in Duistland was veel verder ontwikkeld dan bij ons. Zowel qua accommodatie als qua medische begeleiding. Ze deden bijvoorbeeld een test naar melkzuur. Moest je een rondje lopen, werd je daarna in je oor geprikt om te kijken of je ging verzuren. Naar gelang de mate van verzuring kreeg je een andere uitlooptijd. Dat kende ik helemaal niet in Nederland. Bij Ajax lag het accent vooral op het ontwikkelen van talent en techniek. Bij Bayern was het veel meer wetenschappelijk onderbouwd. Tegelijkertijd was het voetbalniveau niet hoog. Daarin heeft Duitsland een enorme omslag gemaakt. Ze hebben heel goed gekeken naar hoe wij onze spelers opleiden. Ze zijn veel meer gaan focussen op een goede jeugdopleiding, op balbehandeling. De nadruk ligt op talentontwikkeling, en veel minder op het fysieke. Daarin lijken ze steeds meer op Nederland.”

Bestaat er zoiets als Duitse voetbalhumor?

„Daar herinner ik me eigenlijk helemaal niks van. Tenminste niet zoals bij Ajax of bij het Nederlands elftal. Daar was het toch altijd hetzelfde: gauw een kast voor de lift schuiven zodat iemand er niet uit kon. Kinderlijk gedoe, maar wel erg leuk. Dergelijke dingen kwamen bij Bayern niet voor.

„De tijd in Duitsland is een van de allermooiste perioden uit mijn loopbaan geweest. Misschien niet qua succes, maar wel door het leven dat je leidde. Dat vakantiegevoel, met die bergen en die meren, hield eigenlijk continu aan. De spelersgroep was opvallend hecht. Er werd buiten het voetbal om heel veel gedaan met elkaar en met familie. Want München lag ook voor de Duitse spelers ver van huis. Die bleven dus vaak over. Als mijn familie overkwam, gingen we eten met andere spelers en hun familie. Zat je met twintig, dertig man aan tafel. Dat hoort sterk bij die cultuur: wij zijn één grote voetbalfamilie. Bij mooi weer ging je samen eten in een Biergarten. Ook dikwijls na de training, van één uur ’s middags tot tien uur ’s avonds. Kinderen erbij, honden mee. Dat creëerde een intense band. Van de club kreeg je een Lederhosen, met je initialen erin. Zo ging je naar de Bierfesten. In feite was dat een soort clubkostuum. En altijd samen, samen, samen.

„Ik wilde helemaal niet weg bij Bayern. Maar toen we eind ’93 aan het praten waren over een verlenging van mijn contract, werden mijn ouders opeens ziek. Toen wilde ik zo snel mogelijk weer naar Nederland. Ik was een week terug toen mijn moeder overleed. Vijf weken later stierf mijn vader. Achteraf heb ik vaak gedacht: was ik daarna maar teruggegaan. We hadden het zo naar onze zin. Nadien is het nog een paar keer aan de orde geweest om terug te gaan, maar dat kwam altijd op een verkeerd moment. Ze boden me aan om jeugdtrainer te worden, maar toen was ik net ergens anders rond. Ik heb nog geregeld contact met Hoeness. Hij vraagt me weleens wat ik van een Nederlandse speler of trainer vind. Hij belde me bijvoorbeeld over Van Gaal. Ik vond het destijds bij Ajax moeilijk dat Louis voor Jonk koos en niet voor mij. Al begreep ik het wel. Ik heb tegen Hoeness gezegd: ‘Louis is een geweldige trainer. Ik zou ’m altijd nemen’.”

Arjen Robben werd laatst door zijn eigen supporters uitgefloten. Hoort dat bij het Bayern-publiek?

„Absoluut niet. Ik was er stomverbaasd over. Vond het ook zeer onbehoorlijk. Ik zou me heel goed kunnen voorstellen dat Arjen naar een andere club zou overstappen. Uitgefloten worden door je eigen publiek is verschrikkelijk.

„Bayern München zit nog steeds in mijn hart. Dat komt door hoe de club mij behandeld heeft: met grote warmte en waardering. Ik ging in de winterstop weg. Een half jaar later werden ze kampioen. Belde Hoeness op: ‘Jan, je bent van harte welkom op ons kampioensfeest. Ik heb twee vliegtickets voor je klaarliggen’. Dat je in alle euforie en hectiek ook aan mij denkt… ja, dat raakte me. Dat is voor mij sindsdien een les: een club wordt groot doordat ze aan kleine dingen denken. Klasse zit ’m in de details. Daar kunnen we in Nederland nog een hoop van leren. Utrecht wil alleen maar groot denken, terwijl de voorwaarden in het kleine vaak onvoldoende gerealiseerd worden. Dat is echt de verkeerde volgorde.

„Het voetbalniveau in Duitsland viel me wel enorm tegen. Bij Ajax leerde je positiespel, meedenken over de tegenstander. Bij Bayern was het devies: ‘Presteren. Winnen. Hoe je wint, maakt niet uit’. De schoonheid van het voetbal was daar totaal aan ondergeschikt. Oliver Bierhoff, Gerd Müller, Horst Hrubesch waren vooral grote afmakers. Nu zie je echte spelers voorin. Bastian Schweinsteiger is iemand die heel goed kan voetballen. Ik had Erich Ribbeck als trainer. Aardige vent, maar niet iemand van wie je veel leerde. Op dat vlak heb ik het allermeest geleerd van Dick Advocaat. Alleen al van hoe hij ‘nee’ kon zeggen tegen spelers. Ik denk vaak nog te veel met hen mee, probeer me te sterk in hun positie te verplaatsen.”

U zei ooit: ‘Eigenlijk zijn er twee Jan Woutersen: dat beest op het veld en de terugtrokken figuur daarbuiten’. Waar is dat beest nu gebleven?

„Dat bestaat eigenlijk niet meer. Dat beest werd wakker doordat ik zo graag wilde winnen. Ik heb me er ook vaak voor geschaamd. Na een elleboog, of omdat ik in het veld soms gedachten had die eigenlijk afschuwelijk waren. Dat ik iemands kaak zou kunnen breken. Letterlijk, hè. Dat ging bewust en onbewust tegelijk. Natuurlijk wilde ik die kaak niet echt breken. Maar ik wilde wel een flinke tik uitdelen, ik wilde ’m pijn doen. Allemaal omdat ik die wedstrijd wilde winnen. Als ik erover nadacht vond ik het zelf ook eng. Een soort duivel in jezelf, waar je zelf ook bang van wordt. Als ik in de auto naar huis zat nadat ik weer eens was doorgeslagen, dacht ik: ‘Jonge jonge… wat ben je toch een gek’. Dan dorst ik ook absoluut niet langs mijn ouders te gaan. Mijn vader zei op die momenten: ‘Hoe kán dat nou, man? Wéér een gele kaart. Ik schaam me dood voor wat je doet’. Dat hielp dan heel even. Totdat er weer een moment kwam dat het even niet lekker liep in het veld. Langzaamaan heb ik het onder controle gekregen. Ik herinner me van zo’n periode dat ik zes weken geschorst was vooral de schaamte. Diepe schaamte. Dat je bijna geen boodschappen durfde te doen omdat je je kapot geneerde voor je eigen gedrag. Het hielp om daar op de momenten dat ik dat beest voelde, sterk aan te denken. Nu voetbal ik niet meer. Ik wil nog wel graag winnen, maar dat moéten winnen tot elke prijs is weg. Ook thuis bij het kaarten. Ik ben nog steeds fanatiek, maar niet meer zoals vroeger toen het echt op ruzie uitdraaide. Dat mijn zusje me bij het schaken maar expres liet winnen omdat ik anders uit drift het bord omdraaide. En dan later weer kwaad zijn als ik hoorde dat ze mij had laten winnen. Dat is gelukkig allemaal verdwenen’.

Als ik aan het EK ’88 denk, zie ik heel sterk die rit met de bus voor me, over de A2 van Eindhoven naar Amsterdam. We moesten stapvoets rijden. Overal stonden mensen, soms huilend. Het overviel ons. Het was niet tot ons doorgedrongen hoe sterk het hier leefde. Opeens kwam alles samen: de oorlog, de finale uit ’74. Wij hadden blijkbaar een beetje gezorgd voor een pleister op de wonde. Het Calimerogevoel was definitief weggenomen. Die sentimenten spelen nu geen rol meer. Mijn dochter van 22 heeft dat totaal niet. Voor haar is Duitsland geen ander land dan Portugal of Denemarken.

„De Duitsers zijn nog steeds een toonaangevend land in de wereld. In onze poule zijn ze absoluut de moeilijkste tegenstander. Ze hebben meer keuze dan wij, ze kunnen vissen in een veel grotere vijver. En de wil om te winnen zit er veel meer ingebakken. Dat heeft waarschijnlijk ook met de oorlog te maken. ‘Wij zijn ooit helemaal met de grond gelijk gemaakt, en we zullen bewijzen dat we er toch nog stáán’. Dat gevoel leeft nog steeds. Ze blijven moeilijk te verslaan. Gezien het verleden en het vermogen om onder grote druk te presteren heeft Duitsland ook nu de beste papieren om te winnen. Hoewel het wel een keer hoog tijd wordt dat die oude beelden uit ’88 vervangen worden door nieuwe.”