Altijd als laatste het veld op

Vrijwel elke sporter heeft een vorm van bijgeloof. Rituelen helpen om de spanning te controleren.

Gaat het om topprestaties, dan sluiten we zoveel mogelijk risico’s uit. Intensieve trainingen wisselen we af met rustperiodes om het lichaam niet te overbelasten, atleten gaan op hoogtestage om op zeeniveau beter te kunnen presteren, wielrenners bepalen hun ideale koolhydraatinname en om de balans te bewaren zijn sportpsychologen in het begeleidingsteam de standaard geworden.

Zo rationeel als de sport wordt benaderd, zo irrationeel lijkt het dat veel sporters vasthouden aan rituelen. Ze kleden zich altijd om in een bepaalde volgorde of willen met een speciaal rugnummer spelen. Alsof dat de prestaties ten goede zou komen.

‘Ja’, denken veel sporters. Maar liefst 80 procent van hen verricht voor de wedstrijd bijgelovige handelingen, bleek uit onderzoek van Michaéla Schippers dat in 2006 in de Journal of Applied Social Psychology werd gepubliceerd. Ze deed haar onderzoek onder bijna tweehonderd sporters in Nederland: 97 voetballers van de grote clubs, 48 hockeyers en 52 volleyballers.

En ‘ja’, denkt ook de onderzoeker. Een ritueel kan helpen bij een betere prestatie. „Dat zit zo: bijgeloof kan helpen om de spanning te controleren, een handeling brengt je in een bepaalde mentale toestand om je beter te kunnen concentreren.” Er is geen direct oorzakelijk verband tussen witte schoenen dragen en een gewonnen wedstrijd, erkent Schippers, „maar voor jou als persoon is er wel een verband. Het ritueel krijgt een betekenis omdat de sporter er een waarde aan hecht. Self-fulfilling prophecy heet dat.” Coaches kunnen daarom de wensen van sporters maar beter respecteren, adviseert ze.

Een van de belangrijkste kenmerken van een ritueel is dat die niet verzonnen is maar ontstaan. „Bijgeloof is per definitie niet rationeel.” Het verklaart waarom sommige rituelen onlogisch zijn of zelfs onhandig. „Er was een hockeykeepster die al in de auto haar grote legguards aan had, zelfs als ze 100 kilometer verderop speelde.”

Haar onderzoek genereerde nogal wat aandacht. „Elk WK en EK word ik weer gebeld.” Hoe zou dat komen? „Het onderwerp spreekt mensen aan. Misschien omdat we in een rationeel tijdperk leven. Het is de schijnbare paradox tussen de nuchtere Hollander en vaag bijgeloof.”

De ophef over ‘balansbandjes’ die de spelers van het Nederlands elftal bij het vorige WK droegen, was dan ook groot. Wat moesten de jongens met zo’n onzinnig armbandje? De VU onderzocht het wetenschappelijk nut ervan. Was er niet. Maakt ook niet uit, als je er zelf maar in gelooft, liet Schippers al in haar onderzoek zien. De reactie van Rafael van der Vaart in het AD was gelukkig weer heerlijk Hollands: „Of het werkt, kan ik niet met zekerheid zeggen, maar het kan hoe dan ook geen kwaad.”

Marleen Luijt