Alawieten 'sekte' noemen is onjuist Dat woord is niet per se neerbuigend

Carolien Roelants schrijft in een kader bij een artikel over Syrië: „Bovendien voelden minderheden als de Koerden, christenen en alawieten, president Assads eigen sekte, zich onvoldoende vertegenwoordigd” (‘Assad is sterk maar hij redt het niet’, 18 mei).

Het kwalificeren van alawieten als een sekte lijkt mij te getuigen van een laatdunkendheid die niet is gerechtvaardigd voor deze levensovertuiging.

Ook als hiermee wordt geïllustreerd welke verdeeldheid er is binnen Syrië, een verdeeldheid die mede wordt weerspiegeld in de diverse etnische en levensbeschouwelijke eenheden, doet de term ‘sekte’ geen recht aan deze ook buiten Syrië vertegenwoordigde levensovertuiging.

P. Hendriks

Redacteur Carolien Roelants verwijst naar Van Dale. Daarin staat over ‘sekte’: „(soms met ongunstige bijbetekenis) de gezamenlijke aanhangers van een, met name godsdienstige gezindheid, die op bepaalde punten afwijkt van een meer oorspronkelijke waaruit zij is voortgekomen”. Roelants onderstreept het „soms”.

Zo bezien zijn de alawieten, een minderheid binnen de shi’itische islam, inderdaad een sekte, zonder dat dit per se een „laatdunkende” bijbetekenis heeft.

Sinds begin dit jaar is de term in de krant vooral gebruikt voor de islamitische Boko Haram in Nigeria, die consequent zo wordt aangeduid. Maar ook voor Al-Shabaab in Somalië, en een enkele keer voor Opus Dei. In opiniestukken werd de term, in pejoratieve zin, gebruikt voor Noord-Korea („een dolle sekte”, volgens columnist Derk Jan Eppink), de Evangelische Omroep („een enge sekte”, aldus een tv-rubriek) en voor verdedigers van de Citotoets (Vincent Icke).