Wonderlijk standbeeld in een Roomse tuin

Anders dan bijvoorbeeld Frankrijk doet Nederland maar weinig aan internationale cultuurpolitiek. In bijna elk land ter wereld kun je TV5 ontvangen en er bestaan wereldwijd meer dan honderd Franse culturele instituten. Het Maison Descartes in Amsterdam biedt voor weinig geld taalcursussen aan en organiseert lezingen, boekpresentaties en filmvertoningen. Een mooie manier om ondanks alsmaar voortdenderende Europeanisering, de eigen cultuur toch te beschermen en zelfs uit te dragen.

Niettemin heeft Nederland op bescheidener schaal ook enig internationaal netwerk. In totaal zijn er dertien instituten gevestigd in het buitenland – in Amman, Ankara, Athene, Beiroet, Damascus, Florence, Istanbul, Kairo, Parijs, Rabat, Rome, Sint-Petersburg en Tokio. Wat opvalt: maar liefst twee in Italië, in totaal slechts vier in Europa, vervolgens nog eens twee in Turkije, en op twee uitzonderingen na zijn de andere instituten alle gevestigd in de Arabische wereld. Je vraagt je af hoe dat zo komt. Waarom niet in Berlijn, Londen, Peking, Buenos Aires, New York…? En waarom niet in Zuid-Afrika en Indonesië, waar Nederland toch historische banden mee heeft?

Het werk van de instituten blijft in Nederland vaak onderbelicht. Het Institut Néerlandais in Parijs, bijvoorbeeld, biedt jaarlijks plaats aan enkele honderden cursisten in de Nederlandse taal. Daarnaast organiseert het culturele avonden, lezingen voor Nederlandse schrijvers en tentoonstellingen met werk van Nederlandse kunstenaars. Ook beheert dit instituut het huis van de architect Leo van Doesburg, even buiten Parijs, waarin steeds wisselende Nederlandse kunstenaars of schrijvers een jaar lang kunnen verblijven.

Vorige week was ik op het Istituto Olandese in Rome. Dit instituut organiseert bijna elke maand wel een cursus voor een groepje Nederlandse studenten. Onlangs bracht dit instituut ook een boek uit, getiteld A Marble Revolutionary. The Dutch Patriot Joan Derk van der Capellen and his Monument (Palombi Editori, 2011). Het bevat essays over – en foto’s van – een wonderlijk standbeeld dat ergens in de jaren vijftig door de schrijver Godfried Bomans in de tuin van de Villa Borghese werd aangetroffen. Terwijl hij zijn opwachting maakte bij de Nederlandse gemeenschap in Rome als Sinterklaas, ontdekte Bomans dat het standbeeld de achttiende-eeuwse Nederlandse revolutionair Joan Derk van der Capellen tot den Pol voorstelt.

Van der Capellen was leider van de zogeheten Patriottenbeweging, die eind achttiende eeuw voor nogal wat politieke onrust zorgde in de Nederlanden. Joan Derk keerde zich tegen de macht van de Oranjes en pleitte voor meer directe democratie. Het meest bekend werd Van der Capellen met het pamflet Aan het Volk van Nederland. Volgens de legende zou dit pamflet in geblindeerde koetsen in een herfstnacht van 1781 door heel het land zijn verspreid, en zouden stapels op bijna elke straathoek hebben gelegen.

Vlak na zijn dood in 1784 werd een standbeeld van Joan Derk ontworpen door een destijds bekende beeldhouwer, Giuseppe Ceracchi. Eerder had deze Italiaan standbeelden van George Washington en Napoleon Bonaparte gemaakt – een rijtje waar men de grote Nederlandse roerganger wel in vond passen. Omdat de revolutie in ons land echter nooit helemaal doorzette, kon het beeld nimmer worden vervoerd naar de beoogde bestemming in Zwolle. Zodoende bleef het maar staan in de tuin van de Villa Borghese. Nietsvermoedende passanten dachten al die tijd met een willekeurige keizer van doen te hebben – totdat het beeld door Bomans weer werd geïdentificeerd.

De geest van Joan Derk had een lange adem. Een eeuw na verschijning van Aan het Volk verwees Multatuli ernaar in zijn aanklacht tegen het koloniale bestuur. Bijna weer een eeuw later baseerde de partij D66 zich naar eigen zeggen op de werken van Joan Derk; hetzelfde deed Pim Fortuyn in zijn redevoering ‘Aan het Volk van Nederland’ (1992). Net als Van der Capellen fulmineerde hij hierin tegen het politieke establishment. In zijn afsluitende woorden schreef Fortuyn dat een gentleman met al deze kritiek op de elite maar twee opties had. „Zich terugtrekken op zijn landgoed, of de politiek in gaan.” De ironische laatste zin: „Ik heb geen landgoed.”

Al meer dan twee eeuwen beroepen critici van het politieke establishment zich in Nederland dus op Joan Derk van der Capellen tot den Pol. De vergelijking met andere Europese landen dringt zich op. Wie zijn daar de helden van het populisme? Een follow-up vanuit het Istituto Olandese zou Joan Derk met Italiaanse revolutionair-populisten kunnen vergelijken. Wat zijn de overeenkomsten, wat de verschillen?

Juist in deze tijd, waarin de nationale eigenheid onder druk staat, maar het belang van internationale samenwerking niettemin breed wordt gevoeld, kan een netwerk aan Nederlandse instituten in het buitenland een brugfunctie vervullen. Daarom valt het te betreuren dat staatssecretaris Zijlstra (Cultuur, VVD) besloot het Nederlands instituut in Damascus per 2013 te sluiten, en bovendien ingrijpend te korten op het Institut Néerlandais in Parijs. In plaats van te korten op Nederlandse cultuurpolitiek zou deze juist extra steun verdienen.

    • Thierry Baudet